Ik schrijf, dus ik blijf

Mijn foto

Archieven 2001

Colofon

  • weblog van een huisvader
    tekst & illustraties: ©JosvanVenrooij contact: hetbewijs[at]josvanvenrooij.nl
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

20-11-09

Grype

Eigenlijk wilde hij het er liever niet over hebben omdat iedereen het er al over had maar je werd er toch echt doodziek van, van die mexicaanse griep. Nou geloofde hij heus wel dat je er óók doodziek van werd als je het hád, of kreeg, maar tjongejongejonge.. wát een ophef. Zwaar overdreven, vond de man het allemaal, eerlijk gezegd. Hij had inmiddels het cynisch standpunt ingenomen dat iedereen zich dus al maandenlang helemaal gek had laten maken, met de pandemie, en zich, nu het allemaal natuurlijk weer een storm in een glas water bleek te zijn, zijn sensatie niet meer door de neus wilde laten boren. We hebben récht op een pandemie, zoiets. Bovendien waren al die peperdure vaccinaties nou natuurlijk al in huis gehaald en dat was ook weer zonde, om in de kast te laten liggen.
Kortom, de man deed er niet aan mee, aan de mexicaanse hysterie, had hij zich voorgenomen.
Maar zo cynisch kon hij niet zijn of hij was toch ook in elk geval een heel klein beetje gek gemaakt, want toen zijn jongste vanochtend opeens verhit en met hoofdpijn in zijn bed lag te hoesten werd hij wel als eerste bezocht door de gedachte dat de pandemie zijn deur had weten te vinden. En dat hij nu dus waarschijnlijk moest boeten, voor zijn loochenend relativeren. In plaats van de meer voor de hand liggende conclusie dat het gewoon november was en dat zijn halve klas thuis een griepje lag uit te zieken, met de andere helft nog maar net hersteld of hoestend en proestend onderweg. En dat hij zelf trouwens ook al een week liep te blaffen.
Gelukkig begon zijn vrouw meteen hardop paniekerig over de huisarts en het spoednummer en toen wist hij het weer, net op tijd. Het was allemaal grote onzin. Dat kind had gewoon een griepje.

18-11-09

Zoo!

Ja hoor, het ging er weer eens over, in de krant van vandaag: mannen konden niet zorgen. Volgens een meneer die er voor had doorgeleerd. Ze konden nu eenmaal niet multi-tasken hè? Mannen. Dus dat werd helemaal nóóit wat. Hooguit een ramp, want het kon zelfs nog wel geváárlijk zijn ook, aldus de geleerde spreker, om mannen voor hun kind te laten zorgen. Zo’n kind viel van de trap, of kreeg de theepot over zich heen. Bovendien werd het leven toch ook één grote miserie wanneer je je als man zó volstrekt van je natuur afkeerde dat je voor je kinderen ging zorgen? Dat was vrouwenwerk. En mannen waren jagers.
Tja, dacht de man dus maar weer. Tja. Wat zou hij er nú weer eens over zeggen?
Neem nou toevallig eens zo’n dag als gisteren.
Niet voor het eerst en hoogstwaarschijnlijk ook nog lang niet voor de laatste keer dit jaar had de school van zijn jongens een extra vrije dag afgekondigd. Een studiedag, heette dat dan, want dan ‘gingen de meesters en de juffen iets leren’, zoals zijn jongens het te horen hadden gekregen. De man hoopte heel erg dat het rekenen was maar daar had hij niks over te zeggen natuurlijk, en het had er verder ook niks mee te maken.
Van een aantal moeders had hij, net als de vorige keer trouwens, alweer paniekverhalen gehoord dat dat zo’n vréselijke organisatie was. Omdat ze gewoon moesten werken en niet altijd maar vrije dagen konden opnemen omdat hun kinderen weer eens onverwacht thuis waren. En dat hun kroost juist ook die dag niet naar de bso maar naar oma ging, die je natuurlijk ook weer niet de hele dag met twee kinderen op kon schepen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, omdat ze daar tóch al zo vaak waren. Dus dat ze het nu ook niet meer wisten. Dat hun kinderen dan in godsnaam maar een paar uurtjes alleen thuis moest blijven. Dat ze daar niks van kregen, al vonden ze het niet leuk.
Omdat de man, als man, niet kón zorgen, had hij die problemen natuurlijk níet. Nee, híj had ’s ochtends vroeg een stapel broodjes en krentenbollen gesmeerd, appels, mandarijnen en koek in een rugzak gestopt en had met zijn jongens de trein naar Artis genomen. En daar hadden ze de hele lange dag uitgelaten rondgelopen, met z’n drieën. Tussen de apen, de giraffes en de olifanten. Het was prachtig herfstweer geworden ook nog. Zijn jongste had een schetsboekje van hem gekregen en die had van alle dieren die lang genoeg stil bleven staan een tekening gemaakt, zijn oudste had de camera van zijn moeder geleend en had van zelfs de beweeglijkste dieren nog een heleboel foto’s genomen. En ’s avonds na sluitingstijd hadden ze nog hand in hand in hand door avondlijk Amsterdam gelopen, met zijn miljoenen gekleurde lichtjes, met zijn indrukwekkende chaos, zijn couleur locale en geluiden. En hadden ze tenslotte ergens pizza gegeten.
Levensgevaarlijk, was het geweest. En het had helemaal nergens op geleken, inderdaad.
En oh, oh, oh wat wás het leven van de man één grote miserie.

15-11-09

Blanco

Sinds kort geloofden zijn jongens niet meer in Sinterklaas. Omdat ze er te groot voor waren.
De man had het eigenlijk wel iets moois vinden hebben hoor, dat ze met tien en elf dus nog steeds de onbedorven onschuld hadden om zo heilig overtuigd en aanstekelijk enthousiast in een sprookje te kunnen geloven. Dat dat juist voor ze pleitte. Dat dat toch stukken beter was dan van die kinderen die er met zes al te cynisch voor waren geworden, en dat je je dáár toch niet aan hoefde te conformeren. Dat je ze toch zelf wel uit kon laten vinden wanneer ze ermee op wilden houden en dat je ze toch best nog een jaartje kindzijn kon gunnen. Dat ze tenslotte hun hele lange leven nog groot en volwassen konden zijn.
Maar ieder verzet was zinloos geweest want zowel zijn vrouw als zijn dochter hadden gevonden dat dat echt niet meer kon. Dat ze er mee gepest zouden gaan worden en dat het de hoogste tijd was ze uit de droom te helpen.
Dus nu geloofden ze niet meer.
Al moesten ze daar zelf ook nog een beetje aan wennen. Vooral de jongste. Van de week meende de man hem al eens met een melancholieke blik naar een foto van de Sint in de krant te zien kijken, vandaag vroeg hij zich plotseling af wat er dan eigenlijk in dat grote boek had gestaan? Al die tijd? Of dat dan soms ook ‘niks’ was geweest? Om direct zelf op gelaten toon te concluderen dat dat natuurlijk inderdaad zo was.
Helemaal niks.
En hij was nu dan misschien wel groot, het was toch duidelijk een beetje een teleurstelling.

13-11-09

Met gebreken

Al weken liep de man steeds moeilijker met een vervelende pijn in zijn liezen. Of eigenlijk al maanden, als hij eerlijk was, want zoals het een echte man betaamt had hij eerst maar eens een flinke tijd gedacht dat het vanzelf wel over zou gaan, en had hij alleen tegen zijn vrouw geklaagd.
Goed, hij was wat oefeningetjes gaan doen, en wat meer gaan bewegen, om de boel een beetje te versoepelen en te verstevigen, dat wel. Én hij was een paar kilo afgevallen, om de boel wat te ontlasten. Hij at alleen nog verstandig, snoepte niet meer en dronk ook stukken minder en zodoende zag hij er de laatste tijd dus beter en strakker uit dan in jaren. Overhemden die hem eerder toch echt te krap waren geworden durfde hij nu wel weer te dragen. Zijn broeken waren te ruim geworden, zijn riemen hadden extra gaatjes nodig en als zijn liezen niet zo’n verdomde pijn hadden gedaan had hij ook weer zonder zuchten en steunen zijn veters kunnen strikken omdat er geen pensje meer in de weg zat.
Maar goed.. dát was er dus jammer genoeg níet beter op geworden. Hij mocht er misschien uitzien als een jonge god, hij bewoog zich als een bejaarde omdat iedere onverwachte beweging hem pijn deed. Als een oud wijf beklom hij voorzichtigjes de opoefiets van zijn vrouw, omdat de stang van zijn eigen fiets allang een onneembare vesting was geworden. Een genante vertoning. En nog altijd strikte hij zuchtend en steunend zijn veters.
Uiteindelijk was hij dan dus toch maar bij de dokter geweest. Bij de apotheek, de fysiotherapeut en de osteopaat. Maar omdat dat allemaal óók niet hielp zat hij nu dus tegenover de orthopaed, in het ziekenhuis. Die met een even korte als zorgelijke blik op zijn scherm constateerde dat de man wel érg weinig kraakbeen op zijn gewrichten had. Dat hij daar nog véél te jong voor was natuurlijk, maar dat hij dus eigenlijk aan een paar kunstheupen toe was. Om zijn woorden te onderstrepen, te verduidelijken of te illustreren of joost mag weten waarom legde hij er alvast één voor de man neer.
Als een duikelaartje draaide het ding zijn waggelende rondjes op tafel.
Zag de man verder niks meer.
Opeens was hij oud.
Oud en versleten.

12-11-09

Mikmak

Sint Maarten. Vanaf de allereerste kennismaking, drie jaar geleden, met dit voor hun nieuwe feest waren zijn jongens er dol op geweest. Een klein half uurtje de deuren langs leverde genoeg snoep op voor de rest van het jaar en dan was het óók nog eens het soort snoep dat ze thuis nooit kregen. Dus de man begreep dat wel, dat ze dat geweldig vonden. En eerlijk gezegd vond hij het zelf, even afgezien van de overdadige hoeveelheden foute zoetigheid, ook wel een charmant gebruik. Leuk, zo'n beetje ouderwetsch Hollandsche kneuterigheid. Een gezellig en vooral  kleinschalig buurtgebeuren.
En een warm idee ook, vond hij. Dat mensen elkaar opzochten, zo aan het begin van de donkere en koude periode, met lichtjes en koekjes en vrolijkheid. Daar kon hij wel wat mee, zogezegd, met dat idee. Dus had hij zich er met zijn jongens op verheugd.
En terwijl die met hun zelfgeknutselde lampionnen, hun vriendjes en hun moeder de deuren van de buurt langs gingen, zou de man thuis een lekkere pan soep maken voor na afloop en hun eigen deur opendoen voor de rest van de zingende stoet. Hij had een flinke schaal snoep klaargezet, een reservevoorraadje op het aanrecht, er toch ook nog maar wat mandarijnen en snoeptomaatjes tussen geschikt, en zo had hij zich met een glaasje wijn erbij helemaal ingesteld op een vrolijk avondje komen en gaan van lange rijen schor zingende kinderen met dansende lichtjes en van opwinding fonkelende ogen.
Maar als hij er dik twee uur later vier of vijf gezien had was het veel.
Hoe kon dat nou? Hij had toch voldoende lampen aan? Waar bleven ze allemaal? Hij zag trouwens ook helemaal geen lampionnen op straat.. Werd er dan niet gekeuveld? Wat was er gebeurd met het buurtgevoel? De man snapte er niets van.
Tot zijn gezin weer thuiskwam, met twee overvolle, uitpuilende rugzakken. Enthousiast vertelden zijn jongens dat ze naar het centrum waren gelopen en dat alle winkels daar open waren en dat ze overal wat gekregen hadden. Handenvol snoep bij de supermarkt, een grote stuiterbal bij de speelgoedwinkel, een balpen met opdruk bij de kantoorboekhandel, een bloknootje met opdruk bij de fietsenzaak, een plastic rolmaatje met opdruk bij weer een andere winkel, een gratis ijsje bij de snackbar.
Enzovoort.
Ze hadden nog wel overal een liedje gezongen. Dat wel. Met hun in tl-licht verbleekte lampionnetjes.
En toen begreep de man het dus. De middenstand had weer eens een leuk feest om zeep geholpen.

6-11-09

150 gr

Het was achterlijk druk, de man zag het meteen bij binnenkomst. De rijen stonden bij iedere kassa tot halverwege de tandpasta, de wasmiddelen en de huishoudelijke artikelen en er stonden bovendien opvallend veel bejaarde echtparen tussen te hannessen met karretjes, mandjes, rolstoelen en elkaar.
Had hij iets gemist? Was het gratis winkelen vanochtend? Was het nú alweer kerstmis? Was het payday voor pensionado’s? Begon hij meteen maar te mopperen, want híer had hij dus helemááááál geen zin in. Zijn eerste aanvechting was ook meteen weer omkeren, nu het nog kon, om later op de dag nog maar eens terug te komen, maar dat kon niet want hij wilde vanochtend een appeltaart bakken, voor het grote verjaardagsfeest morgen, en daar had hij boter voor nodig. Zuchtend en steunend en met een enorme sik stortte hij zich dan dus maar tussen het winkelend gepeupel.
Véél gejaagder dan normaalgesproken laveerde hij zijn karretje geërgerd langs de schappen, tussen de treuzelende meute door. Langs de breeduit besluiteloos voor het koelvak dralende bejaarden, om de middenin het gangpad uitgebreid bijkletsende gepensioneerden heen en met een grote omweg langs de groente voorbij de tergend gezellig met hun peuter vooruit-tuttuttende moeders. Brrr.
Met zijn handvol dagelijkse boodschappen sloot hij aan bij willekeurig één van de zwaarbeladen rijen. Geest op nul, blik op oneindig en vastbesloten niet op de andere rijen te letten omdat die toch altijd sneller gingen. Maar zelfs met zijn blik op oneindig zag hij dat nog wel. Bij de belendende kassa’s was inmiddels waarschijnlijk al voor duizenden euro’s chips en cola en zoete rotzooi afgerekend, maar zíjn cassière was nu al minstens een kwartier bezig een enorme stapel uitgeknipte voordeelbonnetjes bij elkaar op te tellen, voor zich uit te spreiden en te sorteren en weer op een stapeltje te leggen, van de grond op te rapen en van elkaar af te trekken of op echtheid te controleren of joost mag weten wat ze ermee aan het doen was.. de klant waar ze het voor deed trok er in elk geval een onverstoorbaar gezicht bij. Díe vond duidelijk dat het nou maar eens góed moest gebeuren, met die bonnetjes. Ze had ze niet voor niets twintig jaar ijverig uit het sufferdje bij elkaar zitten knippen. Waardoor de man uiteindelijk besloot een rij verder maar weer helemaal opnieuw te beginnen, al kreeg hij zijn geest dan niet goed meer op nul.
Eenmaal weer thuis, lichtjaren later, ontdekte hij bij het uitpakken van zijn tas dat hij van alle boodschappen die hij had willen halen, juist de boter vergeten was.
Shit.
Terug de supermarkthel in was geen optie uiteraard, dus foeterend stampvoette hij dan de iets verderopgelegen peperdure buurtkruidenier maar even in, waar hij natuurlijk weer níet alléén een lullig pakje boter wilde kopen, omdat dat zo.. ja wat eigenlijk was, en waar hij dus ook weer voor vijf euro veel te dure nootjes ging staan kopen, voor in de appeltaart. En een pak melk dat hij helemaal niet nodig had.
Tja.
Nou.
Klein leed was het, zeker. Máár leed.
En thuis lag natuurlijk gewoon óók nog een pakje boter in de koelkast.

3-11-09

Praktisch

Nu hoefde zij natuurlijk eigenlijk praktisch nooit af te wassen, dat deed de man immers altijd voor haar, maar een doodenkele keer kwam het toch zo uit en deed zijn vrouw de vaat, en dan had zij de merkwaardige gewoonte om de vetste pannen en de aangekoektste schalen in de gootsteen, of, als dat allemaal niet paste, ook op het aanrecht te laten staan. Tot de rand toe gevuld met koudgeworden, groezelig water waarin restjes van alles dreven. En dode, gebroken vet-ogen.
De man wist wel zeker dat dat was omdat zijn vrouw geen zín had in de vetste pannen en de aangekoektste schalen, dat wás ook een vervelend karweitje, dat wist hij maar al te goed, maar zelf beweerde ze dat zij ze liet weken.
Zijn vrouw had een heilig geloof in laten weken.
Als je een vette, aangekoekte pan maar lang genoeg liet weken, wist zij, werd hij vanzelf wel schoon.
En uiteindelijk kreeg ze daar nog een soort van gelijk in ook want als de man zich maar lang genoeg geërgerd had aan die ranzige uitstalling in zijn keuken, het stilleven der gemakzucht, dan deed hij het dus liever maar weer even zelf dan haar voor de dérde keer te vragen wanneer ze van plan was haar wetenschappelijk experiment te beëindigen.
Gisteren had zijn vrouw een adv dag gehad, ze werkte in het onderwijs en was net als zijn jongens op de raarste dagen opeens de hele dag thuis, en die had ze besteed aan het bakken van koekjes en keekjes voor de aankomende verjaardag van hun kroost. De man vreesde het ergste voor zijn aanrecht die avond. Maar dat viel mee. Alles was keurig afgewassen en opgeruimd voor hij er goed en wel erg in had.
Tot hij vanochtend onder de douche met zijn slaperig hoofd in een ovenplaat stapte. Die daar op de grond stond te weken. Tot de rand toe gevuld met koudgeworden, groezelig water. Waarin restjes van alles dreven. En dode, gebroken vet-ogen.
De man was blij en gelukkig dat zijn vrouw eigenlijk praktisch nooit afwaste.

26-10-09

Lei

Zo. De herfstvakantie zat er weer op. De man had zijn rijk weer alleen. Het was een best weekje geweest hoor, daar niet van, heerlijk zelfs. Maar dit was toch ook wel weer lekker. En hij hoefde zich niet te vervelen want er lag een flinke stapel modderige was van een paar daagjes weggeweest met bijpassende voetstappen door heel het wanordelijk huis, plus nog de afwas van een weekendje hazelnootcakejes bakken met mama.
En nu hij dan tóch eenmaal bezig was, dacht de man, want zo gingen die dingen bij hem, als hij dan toch bezig was dan zou hij vanmiddag meteen weer eens even helemaal totale orde op zaken stellen. Te beginnen bij zijn eigen buro. Tjongejonge, dat dáár nog aan gewerkt kon worden zeg.. geen wonder dat er al maanden niks meer uit zijn handen kwam. De administratie eeuwig achterliep.
IJverig trok hij scheve stapels ordners en mapjes en enveloppen uit kasten, dozen en laden. Haalde volgelopen, dichtgeslibde en overstromende postbakjes leeg en smeet nu eindelijk die kapotte printer er eens uit. Plus nog een paar middelgrote sinds de vórige verhuizing al stevig dichtgetapete kartonnen dozen waar met dreigende letters 'computer' op stond. Weg ermee, al die stoffige meuk. In een steeds beter wordend humeur scheidde hij bergen en bergjes kaf van koren en gaf wat blijven mocht een ordelijke nieuwe plek.
En dat was dus nog maar het begin. Morgen zou hij verder gaan met de rest. De laden en de kastplanken waar hij nu geen tijd meer voor had, en de stapeltjes die nu natuurlijk nog even zolang op zijn buro op een nieuw plekje in één van die laden of kastplanken lagen te wachten. Alleen het prikbord, dat haalde hij wel nog even leeg, dat kon nog net, voor hij zijn jongens moest halen. Ansichtkaarten, kranteknipsels, foldertjes, visitekaartjes, vergeelde briefjes, kindertekeningen, openingstijden, agenda's.. het hing er allemaal alweer jaren.. weg ermee! Tijd voor iets nieuws. Een schone lei.
Hé, vroeg zijn oudste zoon zich vanmiddag wel af, onmiddellijk bij het betreden van vaders blinkend kantoor, bij het eerste halve oog op de schone lei.
Hé.. waar is die rode draak gebleven, die ik voor je getekend had?
Nou, die had papa dus even in deze doos gelegd, zag de man godzijdank meteen een randje rode draak uit de oudpapierdoos steken, omdat hij zijn prikbord een beetje op wilde ruimen.
Ik begrijp het, sprak zijn jongen geruststellend, je wilde hem natuurlijk op een andere plek hangen.
En zo was het maar net.
Dus nu hangt hij boven zijn bed, de rode draak.

20-10-09

Dispuut

Natuurlijk hadden zijn jongens ook wel eens ruzie, dat hoorde erbij. Meestal ging dat eigenlijk helemaal nergens over en hadden ze waarschijnlijk gewoon zin om ruzie te maken, of in elk geval begreep de man nooit zo precies waar het over ging, maar zelf vonden ze het toch altijd weer belangrijk genoeg er een flinke keel over op te zetten.
Wie iets als eerste had, bijvoorbeeld. Of het laatst. Of het langst of het kortst of het vaakst. Of nooit, of natúúrlijk weer. Of wie er aan de beurt was, of juist niet. Wie begonnen was. Zoals altijd. Alléén om míj te pésten! Echt niet!! Echt wel!!! Waarna er dan vaak scheldwoorden aan te pas begonnen te komen en, als de man er niet op tijd bij was, er ook rake klappen konden vallen.
Tja, leuk was anders, maar als gezegd: het hoorde erbij.
Vanochtend was het ook weer zover. De kijvende stemmen kaatsten al vroeg tegen het plafond.
Het was pas een paar dagen herfstvakantie en nú zaten ze blijkbaar al weer te lang op elkaars lip, mopperde de man de trap af van jongensjongensjongens, hou het nou gezellig alsjeblieft.
Altijd dat gekrakeel om niks, over rommel en zooi waar je al maanden niet naar omgekeken hebt maar oh wee als een ander het dan even in zijn handen heeft, barste hij de kamer in.
En daar zag hij waar de ruzie over ging vandaag.
Niet over één van de ontelbare autootjes, de oudste rechten op de linkerhoek van de bank of een kartonnen spaarmunt van de supermarkt, maar over een boek. En niet eens de Donald Duck, maar een echt bóek. Een léésboek. En dat ze állebei wilden lezen.
Dus ja.. Wat had je dan nog te klagen, als opvoeder?

17-10-09

Onbeperkt

Dat hij zich zeker wel beperkt voelde, als huisvader? Zo zonder carrière maar een beetje aanmodderen met de kinderen en in en om het huis? Werd hem dan óók nog wel eens gevraagd. Of eigenlijk werd het niet eens echt gevraagd, er werd vaak meer zo’n beetje aangenomen dat dat zo wás. Dat dat natuurlijk ook niet anders kón. Zonder carrière.. huu.. wat móest je dan met je leven?
Nou zou de man liegen als hij beweerde dat hij zich helemaal nóóit beperkt voelde, maar vandaag had hij daar in elk geval wel érg weinig last van. Want al was het een doodgewone doordeweekse dag, zijn jongens hoefden weer eens twee dagen extra niet naar school omdat de onderwijzers vonden dat twaalf, dertien weken vakantie, negen-en-dertig vrije woensdagmiddagen en twee-en-vijftig weekenden per jaar natuurlijk aan de krappe kant waren om daar dan óók nog eens team-uitjes en studiedagen in te moeten plannen, en dat dat dus wel onder schooltijd móest. We hadden het wél over een zwaar beroep tenslotte. En dat de kinderen heus wel met twee daagjes onderwijs minder toe konden. De ouders zochten het verder maar uit, met hun kroost.
Dat had waarschijnlijk weer een hoop gestresst geregel opgeleverd, zo hier en daar. Met oppasgezinnen en opa's en oma's en de bso.
De man had gewoon een flinke tas met broodjes, appeltjes, mandarijntjes, koeken en chocolademelk gevuld, had zijn jongens hun vliegers aan de fiets laten binden en was met de herfstzon op zijn bol met ze naar het strand gefietst. Waar hij de hele verdere dag met ze gevliegerd had. En langs de duinen en de branding gebanjerd, op zoek naar bijzondere schelpen en houtjes en nog honderd andere vondsten meer. De tas was op de terugweg op zijn minst weer nét zo vol geweest.
Ze hadden met z’n drieën een prachtige dag gehad.
En de man had zich van alles gevoeld. Maar niet beperkt.
Bepaald niet beperkt.

15-10-09

Beurs

Dus daar stónd de man, bij zijn favoriete kassajuffrouw nog wel (die met die donkere krullen, die frisse appelwangen en die stralende oogopslag), met een papieren zak vol elstars, zónder prijsstickertje. En bijna al zijn boodschappen had zij al bevallig blozend langs de scanner gehaald want appelen en fruit legde de man altijd behendig achter in de optocht van boodschappen op de lopende band, zodat hij ze als laatste voorzichtig bovenin de tas kon leggen. Eieren trouwens ook, maar die had hij vandaag niet nodig.
Achter hem stonden een paar dames met smalle mondjes en priemende oogjes stilletjes te vinden dat het ook altijd hetzelfde was met die mannen en dat ze dus weer eens de verkeerde rij hadden gekozen.
Dat hij maar even een sprintje moest trekken, terug naar de weegschaal op de groente-afdeling, knipoogde de favoriete kassajuffrouw. Met haar liefste glimlach.
Nou was de man de afgelopen maanden negen kilo afgevallen, waardoor hij er inderdaad, ja.. toch best wel weer een beetje als een jonge god uitzag, al was het misschien een vroeg-grijze, tegelijk had hij ook alweer een aardig tijdje last van een even hardnekkige als pijnlijke liesblessure, waardoor hij zich noodgedwongen, jonge god of niet, behoedzaam en omzichtig als een oude man had voort te bewegen. Een sprintje zat er dus niet in, maar de man deed zijn best. Hij wilde de favoriete kassajuffrouw natuurlijk zo weinig mogelijk teleurstellen.
Schijnbaar achteloos maar zo snel als hij wél kon haastte hij zich terug naar de groente en met een groots, secondenwinnend armgebaar kwamen zijn appels over de finish, hopla op de weegschaal. Waarbij de man alles behalve behoedzaam uitgleed over een achtergebleven stuk bloemkool en zich nog maar net ergens aan vast kon grijpen.
Een vlammende pijn boorde zich door zijn lies en heel even werd het zwart voor zijn ogen.
Het duurde kostbare minuten voor hij zich weer een beetje kon bewegen en al die tijd werd hij omringd door bezorgd kijkende medeklanten en supermarktmedewerkers. Sommigen maakten aarzelend ondersteunende gebaren, met slappe handjes in de buurt van zijn ellebogen.
Gaat het een beetje met u? Werd hem gevraagd op die moeilijk te omschrijven maar onmiskenbare toon die eigenlijk speciaal voor bejaarden en gehandicapten was uitgevonden. En inderdaad, nóóit eerder had de man zich zó óud gevoeld.
Met de tranen in zijn ogen maakte hij zich strompelend uit de voeten. Weg van de ondersteunende handjes, de medelijdende blikken, de bezorgde medemens.
Langs de afkeurend kijkende dames, nog altijd wachtend in hun verkeerde rij.
En langs de favoriete kassajuffrouw.
Die hij nooit meer in de stralende ogen zou durven kijken.

14-10-09

Appels, appelen, appeltjes

Of hij nou nooit éénzaam was, als huisvader. Zo helemaal alleen maar thuis en niemand om mee te praten dan af en toe de kinderen. Werd hem wel eens gevraagd. Maar nee, daar had de man eigenlijk niet zo’n last van. Bovendien, zo door de dag heen was er altijd wel iemand om even een praatje mee te maken.
Kijk maar. Daar liep hij door de supermarkt, op zijn gemak op weg naar de appeltjes, die door een jongeman juist werden aangevuld. En mooi op een stapeltje gelegd. Precies de appeltjes die de man wilde hebben.
Alleen kon hij er nu dus niet bij, omdat de jongeman de weg versperde.
Het was een jongeman met een zwarte paardestaart en een indrukwekkende, kunstig in piramidevorm geknipte, zwarte sik. Hij stond op stevige zwarte laarzen en droeg een zwarte spijkerbroek. Aan zijn bijpassende donkere blik te zien droeg hij onder zijn supermarktgroenblauwe overjas hoogstwaarschijnlijk ook nog een zwart t-shirt. Met veel onleesbare druipletters en een doodshoofd met rode lichtgevende ogen. Of zoiets.
De jongeman moest nog héél veel appeltjes neerleggen, er stonden nog twee flinke kratten, ook in de weg, en de man had geen zin daarop te wachten. Of om eerst naar de diepvries te lopen en later nog eens terug te komen. En dat was natuurlijk ook nergens voor nodig, hij verontschuldigde zich gewoon bij de jongeman en pakte zijn appeltjes.
Dat hij al dat mooie stapelwerk weer helemaal teniet kwam doen, met zijn trek in appels, wilde de man er toch altijd weer iets mooiers van maken dan alleen het strikt noodzakelijke pardon. Kijk eens wat een leuke klant ik ben, zelfs tegenover vakkenvullende pubers, al waren het nog zulke ontoegankelijk voor zich uit depressievende hardcoredeathmetalgoths.
Dat dat geen enkel probleem was, deed de jongeman gedienstig een stapje opzij. Omdat híj anders maar met de appeltjes bleef zitten en dat ze er dan weer appelmoes van moesten maken. Hoewel je daar beter goudreinetten voor kon nemen natuurlijk, net als voor appeltaart, al kon je daar ook jonagold voor pakken. En als je daar dan een granny aan toevoegde, in een verhouding van één granny op vier jonagold, of goudreinetten dus, dan kreeg je een appeltaart met een lichtzure toets. Sommige mensen hielden daarvan, van een lichtzure toets. Zélf vond hij eigenlijk dat appeltaart zoet hoorde te zijn. Dat hij ook helemaal niet zo’n fan was hoor, van grannies. Dat hij meer van fuji hield. Dat dát écht een héél lekker appeltje was. Lekker fris en dorstlessend. Dat hij dat vaak meenam op reis. Een kilootje fuji tegen de dorst, dat scheelde weer een fles water. Dat hij op zijn reizen trouwens ook hele bijzóndere appeltjes tegen was gekomen. Een romeins appelras bijvoorbeeld, dat al vijfduizend jaar bestond. Héérlijk, was dat geweest. Maar wel duur. Dus zulke exclusieve rassen zou je bij de supermarkt nooit tegenkomen. Nee, de mensen wilden uiteindelijk toch het liefst goedkope appels hebben.
Waarna de man, zijn papieren zak allang gevuld met vijf elstars, ook nog belangstellend, knikkend en humhummend luisterde naar een gedetailleerde uiteenzetting over het inkoop- en prijsbeleid van de supermarkt, inzake appels.
De in het zwart geklede jongeman met de sik wist werkelijk álles over appels, appeltjes en appelen. En toen de man hem zeker een kwartier later met enige moeite dan toch vriendelijk bedankt had, hem een prettige dag verder wenste, bleek bij de kassa dat hij zijn appeltjes vergeten was af te wegen.
Zó gezellig kon het zijn, wilde hij dus maar zeggen.

9-10-09

Voor paal

De traktatie hád al klaargestaan bij de deur. Een groene logeertas vol zakjes chips. Maar omdat het blijkbaar nou eenmaal weer eens zo’n ochtend was waarop zijn jongens dus álles vergaten wat er maar te vergeten viel, tanden poetsen, haren borstelen, toeten wassen, schoenen aantrekken, tas inpakken en alles wat in dat rijtje nog ontbrak, zo’n ochtend waarop papa echt zijn uiterste best moest doen zijn geduld niet te verliezen omdat hij ook werkelijk álles méér dan eens moest vóórkauwen! bijna tot de boterhammen aan toe! potverdorie! omdat het blijkbaar nou eenmaal zo’n ochtend was waarop ze pas op het allerallerallerlaatste nippertje het huis uitvlogen, schiet nou toch eens óp jongens we zíjn al te laat, in grote haast op weg naar school.. waren ze de traktatie vergeten mee te nemen.
Ontdekten ze pas op school.
Of papa maar even terug wilde fietsen.
Om de traktatie op te halen.
Nou was de man de beroerdste niet, het was bovendien aardig weer en hij was wel om slechtere redenen een keertje extra heen en weer naar school gefietst en híj was de tas immers net zo goed vergeten.. dus daar ging hij, voor zijn kleine jongen.
Maar toen hij een stief kwartiertje later vrolijk en wel de klas en de kring instapte, met de groene tas, waar hij in de gauwigheid trouwens nog leuk een kleurige slinger aan had geprutst, bleek dat zijn kleine jongen nou ook weer niet helemaal voor niets élf was geworden.
Oh néé hè, klonk het zacht maar duidelijk genoeg, op die typische dramatisch gelaten toon die pubers voor hun intens sneue ouders bewaren.
Oh néé hè.. m'n vááder! En met het eerste puberale schaamrood op de kaken keek zijn jongen, die tot dan toe alleen maar met glimmende ogen van trots naar zijn alleskunnende vader had opgekeken, de man het klaslokaal weer uit, al moest hij zelf nog wat onwennig giechelen bij dit nieuwe gevoel.
De man kon er daardoor ook wel om gniffelen, eerlijk gezegd.
Maar het was wél weer een mijlpaal natuurlijk.

7-10-09

Elf

Gisteravond hadden ze het samen nog even snel voorbereid en klaargezet, de man en zijn oudste zoon, die dus alwéér een jaartje ouder was geworden: De Traktatie.
Veel werk was het niet geweest. Een grote gemakzuchtige tas vol onverantwoorde zakjes vette en zoute chips met héél veel afval na afloop. Want de traditionele met aandacht zelfgebakken en persoonlijk met snoepjes versierde cakejes waarmee de man en zijn zonen de jaren hiervoor zoveel eer hadden ingelegd in de klas, en waaraan ze tot nog toe zélf ook zo'n plezier hadden beleefd, werden dit jaar met een achteloos schouderophalen en een veelbetekenend mwah als iets heel ouderwets en kinderachtigs terugverbannen naar het verre verleden waar ze blijkbaar opeens vandaan kwamen.
Dáár kon je in groep zeven echt niet meer mee aankomen, pap. Met zelfgebakken cakejes. Chips, moest het worden. Want dát deed iederéén.
En al was het, dacht de man, officieel dan wel tegen het schoolbeleid voor traktaties, als iederéén het deed, dan kon je niet achterblijven, als aspirant-puber. Dat wist de man nog heel goed van vroeger. Hoe érg dat was. Om altijd maar met iets achterlijks voor de dag te moeten komen omdat je moeder dat nou juist leúk vond, iets aparts. Iets anders dan de anderen.
Dus al stemde het de man weemoedig over alweer een gepasseerd station, het werden zakjes chips.
En voor de meesters en de juffen had hij er een doosje chocolaatjes bij gedaan. Want dáár bestond geen schoolbeleid voor.

5-10-09

=56

Eén van de redenen waarom zijn vrouw en de man destijds juist déze school hadden uitgekozen voor hun jongens, was dat die ook tijd en aandacht had voor allerlei andere zaken dan taal en rekenen alleen. Zaken die óók belangrijk waren. Die zij als ouders ook belangrijk vónden.
Zo werd er bijvoorbeeld nog volop gespeeld en gevierd en gedaan. Er werd ontdekt, ervaren en onderzocht. In brede, ontwikkelingsstimulerende activiteiten en situaties. Projekten. Kunst en cultuur. Meervoudige intelligentie. Er werd geknutseld en gefrutseld, gezongen en gedanst. Onderhandeld, overlegd en geëvalueerd. Wat voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling, hun zelfvertrouwen, hun mondigheid en hun plaats in de groep natuurlijk allemaal erg belangrijk was. Daarin waren hun zonen dan ook merkbaar flink gegroeid. Ze zaten, om het zo maar te zeggen, lekker zelfverzekerd en mondig in hun vel.
Wél vonden zijn vrouw en de man het een beetje jammer dat hun oudste zoon, die inmiddels in groep zeven zat, nog altijd geen flauw idee had hoeveel acht maal zeven ongeveer was. Met de tafel van vijf zelfs nog wel wat moeite had. Dat hun jongste zoon, nu in groep zes, nog altijd zó onleesbaar voor zich uit zat te kriebelen en te priegelen dat zelfs de meester de ontelbare schrijf- en spelfouten er blijkbaar niet eens meer in kon ontcijferen.
Op school werden hun zorgen daarover niet zo heel erg gedeeld. Op ouderavonden waren de leerkrachten meestal eensgezind van mening dat het heus allemaal wel goed zou komen, dat het heerlijke, sociale knullen waren, dat de oudste trouwens al extra hulp hád, voor zijn rekenen, en dat ze verder met toetsen en tests helemaal niet zó ongunstig afstaken tegen de rest van hun groep.
Dus hadden zijn vrouw en de man besloten hun jongens dan thuis maar wat bij te spijkeren. Iemand moest het doen tenslotte. En zo zat de man, in de meest ideale weken, dan twee keer per week een half uurtje met zijn jongens aan tafel, met sommen en schriften en schrijfwerk het achterstallig onderhoud weg te werken.
De leerkracht van zijn oudste had daar schoorvoetend mee ingestemd en toegezegd dat hij zijn zoon steeds wat actuele kopietjes uit het rekenboek mee zou geven, zodat die thuis wat te oefenen had, en de man iets in handen om hem mee te helpen. Maar omdat dat eigenlijk steeds maar met halve A4-tjes tegelijk ging, met tussenpozen van soms wel twee of drie weken, had de man de laatste weken wat druk op de ketel gezet en zijn zoon uiteindelijk om een lekker stapeltje laten vragen.
Waarop de leerkracht de man een middag na school even apart had genomen om hem met een zorgelijk gezicht op het hart te drukken dat hij het ook weer niet te gek moest maken, met het rekenen thuis. Dat er ook nog andere dingen waren dan leren rekenen.
De man stelde de leerkracht gerust dat hij zich van dat laatste maar al te bewust was en dat hij diens zorgen ten volle begreep. Dat het natuurlijk nooit de bedoeling kon zijn dat zijn zoon het straks nog echt léérde.

2-10-09

Dus

Nu zijn jongens op muziekles zaten had de man er trouwens wel weer een vaste regel vaderlijke tekst bij. Naast het heb je je tanden gepoetst, je handen gewassen, je tas ingepakt, je haren geborsteld, je brood opgegeten, je tas uitgepakt en je troep opgeruimd.. naast alle andere wegens groot gebrek aan blijvend succes dagelijks terugkerende geboden en aansporingen, verzoeken, verzuchtingen en bevelen moest hij ze nu dus ook meerdere keren per week vragen of ze al geoefend hadden. Wat ze natuurlijk nooit gedaan hadden maar wat ze altijd mórgen gingen doen. Of anders overmorgen.
Vandaag had de man maar weer eens ouderwets voet bij stuk gehouden en zijn jongens aan het oefenen gezet, wat ze dan, net als bij al die andere aanmaningen overigens, zonder al te veel tegensputteren over zich heen lieten komen. Dat dan weer wel. Ze waren niet van kwade wil, zijn jongens, je moest ze er alleen maar even steeds aan helpen herinneren.
Dus met een aandoenlijk serieus gezicht en goedgemutst en wel speelde eerst zijn oudste zijn riedeltjes en diedeltjes op de keyboard, eerst links, dan rechts en dan samen en nog een keer, en toen dat allemaal klaar was pakte de jongste zijn gitaar en zette zich monter op de bank om zijn vingeroefeningen en akkoorden door te nemen. En de man was blij en tevreden dat hij had doorgezet met de muzieklessen voor zijn jongens, omdat ze zich al met al toch vrij enthousiast en toegewijd aan hun instrumenten wijdden.
Al vond hij wel dat het nu al behoorlijk lang duurde voor het eerste ploenk, plok of twenk zich liet horen, vanaf de bank. Zelfs het geluid van de rits had hij eigenlijk nog niet gehoord.
Of hij niet moest beginnen met oefenen, vroeg de man zijn jongste na een tijdje naar de bekende weg.
Maar dat dat nog niet kon, legde zijn zoon hem uit.
Want van de meester moest hij tíen minuten oefenen, en de grote wijzer stond nu nog tússen twee minuten in.
Vandaar.

1-10-09

Rib

De man was meegeweest op het schoolreisje van zijn jongste zoon. Vijf dagen en vier nachten had hij zich ondergedompeld in speurtocht, avondspel, natuurwandeling en kindergedruis, héél véél kindergedruis. In koude pannenkoeken, flauwe hutspot en oploslimonade. En in het gezelschap van een flinke handvol andere ouders. Joviale vaders en leuke moeders. Dikke pret, was het geweest.
En op de bonte avond had de man zich natuurlijk weer flink uitgesloofd. Gestoken in zijn show-overhemd had hij, tweestemmig met een andere vader, met verve een populair lied ten gehore gebracht en met de nodige bravoure was hij de andere ouders voorgegaan in een onstuimige piraten-act.
Zijn jongste zoon had glimmend van trots zitten kijken hoe zijn vader zijn klasgenoten het hoofd op hol bracht. Dat dát zíjn vader was. En dáár deed de man het voor.
Uiteraard.
Maar ook een beetje voor de leuke moeders, want hij was en bleef een man. Moet je kijken wat ik kan! Wat ik durf! Wat ik doe!
Dat ze dat níet achter hem gezocht had, vertrouwde later één van de leuke moeders hem toe. De leukste van het stel nog wel, en spinnend van genoegen hoorde de man het aan.
Dat hij met zoveel flair op het podium stond en zo trefzeker zong, het publiek zo mooi bespeelde. Vond de leuke moeder.
Was dít nou die man in dat ribfluwelen jasje, had ze zich afgevraagd.
En dat vroeg de man zich nu dus ook alweer een tijdje af.
Of híj die man in dat ribfluwelen jasje was.

14-9-09

Tsjing Boem

Omdat zijn eigen ouders er indertijd het nut nou eenmaal niet van in hadden gezien en hij er uit zichzelf pas veel te laat mee begonnen was, hij het dus nooit meer goed genoeg onder de knie zou krijgen om aan zijn eigen verwachtingen te voldoen en het daardoor ook vol te houden, en omdat hij dat nu dus vreselijk jammer vond, omdat hij het juist zo graag zou willen kunnen, had de man ooit besloten zijn kinderen wél op muziekles te doen. Later zouden ze hem daar dankbaar voor zijn, dat wist hij zeker.
Bij zijn dochter was het voornemen destijds na een paar weken onwillig blokfluiten in opvoedkundige halfslachtigheid gestrand, maar bij zijn jongens had hij het voortvarender aangepakt en die hadden er inmiddels dus een ouderwets jaar algemene muzikale vorming opzitten. Dat was óók voornamelijk blokfluiten geweest trouwens, en zeker niet minder onwillig, maar opgeven was er voor zijn jongens niet bij en zo konden die nu dan toch maar mooi een paar noten lezen, een beetje maat houden en zelfs een enkel liedje spelen. Uiteindelijk, meende de man tijdens het eindconcert met de plaatselijke blaaskapel aan hun ingespannen spel en trotse gezichten gezien te hebben, waren ze het stiekem nog wel leuk gaan vinden ook.
En nu was deze weken hun échte muziekles dan begonnen. Op twéé zelfgekozen instrumenten. Eerst een half jaar het één en dan een half jaar het ander. Om het allemaal maar eens uit te proberen.
Zijn oudste had zich om te beginnen met ongeveinsd enthousiasme op de piano geworpen en waarschijnlijk zou hij ook na een half jaar gitaar niet meer van gedachten veranderen, zo leuk vond hij het. Al zat hij zo óók een beetje in elkaar natuurlijk. Hij oefende vrij serieus en liet zich ook regelmatig verleiden eens samen met zijn vader en diens accordeon te spelen. Allebei even harkerig maar toch precies zoals de man het ooit voor zich had gezien.
Zijn jongste had het liefst willen drummen. Daar had de man aanvankelijk allerlei praktische en muzikale bezwaren tegenin gebracht maar hij was het zó graag blijven willen dat ze uiteindelijk dan maar waren overeengekomen dat hij dat het twééde half jaar mocht uitproberen. En dat hij dan het eerste half jaar gitaar zou doen.
En nu hoopte de man natuurlijk dat als hij er eenmaal een beetje les op had gehad, hij de gitaar zó leuk zou gaan vinden dat hij het drummen zou vergeten. Want waar líet je om te beginnen zo'n groot apparaat in zo'n klein huis? Maar het zag er niet naar uit dat dat ging lukken. Tijdens zijn gitaarles werd er een lokaal verderop namelijk gedrumd. En terwijl de gitaarleraar hem geduldig het E mineur akkoord nog eens voordeed, zat zijn zoon dus liever op zijn gitaar met een les verderop mee te trommelen.

9-9-09

Dag Sinterklaasje

Dat was trouwens ook nog zoiets, bedachten de man maar vooral zijn vrouw, nu hun jongens Sinterklaas onlangs niet eens voor het eerst weer ter sprake hadden gebracht: Sinterklaas. De pepernoten lagen alweer manshoog opgetast in de schappen maar eigenlijk hadden de man maar vooral zijn vrouw zich vorig jaar na afloop voorgenomen ze dit jaar rúim voor het zover was maar eens van hun geloof af te helpen.
Omdat het niet meer met hun leeftijd klopte, vond zijn vrouw.
Omdat ze er anders misschien wel eens mee gepest zouden kunnen gaan worden, deed zelfs zijn dochter nu al een duit in het zakje.
En de man zag daar heus het punt wel van, maar hij vond het, een beetje obstinaat natuurlijk, wel jammer dat je je eigen kinderen dus voortijdig hun onschuldig plezier af moest nemen omdat andere kinderen blijkbaar al veel jonger zo cynisch waren dat ze geen ruimte meer hadden voor een beetje kinderlijke fantasie en naïviteit.
De man begreep zelf ook wel dat het een onwerkbaar minderheidsstandpunt was maar hij vond het nou eenmaal mooi dat zijn jongens, ondanks hun bijna tien en elf jaar, nog zo onvoorwaardelijk in een mooie droom konden geloven. Dat vond hij in hun voordeel spreken. Dat ze nog zo zonder voorbehoud en achterdocht van een sprookje konden genieten. Niet dat hij ze per se klein wilde houden, maar ze zouden er zelf heus ook snel genoeg achter komen en dan konden ze verder hun hele leven nog groot en realistisch zijn. Alsof dát zo leuk was.
Maar goed.
Daar zaten ze dan om de tafel, met z'n allen. Met een kopje koffie erbij, en iets lekkers, om het leed te verzachten.
Het hoge woord was eruit.
En zijn jongens namen het nogal sportief op, moest de man bekennen. Groot en realistisch, bijna.
Dat het een beetje jammer was natuurlijk, maar toch ook vooral wel logisch, knikte zijn oudste.
En dat hij nu meteen begreep waarom zijn vriendje wél een wii in zijn schoen had gekregen, en een mp3, en híj niet, ging de jongste een opgelucht licht op. Want dat konden zíj, de man en zijn vrouw, zíjn vader en zíjn moeder, natuurlijk helemaal niet betalen.

2-9-09

Dertien

Negen en tien waren ze nu, zijn jongens, bijna tien en elf. Ze keken regelmatig het jeugdjournaal natuurlijk, en als er 's ochtends een beetje een leuke, aansprekende foto in de krant stond mochten ze het bijbehorend onderschrift ook graag lezen, al waren er ook dagen dat de man een beetje uitkeek met hoe hij de krant gevouwen hield.
Maar het zeilmeisje was ze niet ontgaan. Het meisje van dertien, bijna veertien, dat in twee jaar de hele wereld over wilde zeilen. In haar ééntje. Hoe had het ze ook móeten ontgaan?
De man had niet zo'n mening over het hele geval. Hij zou zijn dochter niet hebben laten gaan, toen die nog dertien was, dat niet. Maar zelf was hij zo rond zijn dertiende door zijn zwijgende ouders in een bootje gezet en afgeduwd in een emotionele windstilte waar hij de rest van zijn jeugd radeloos in zou ronddobberen. Had hij het verder mooi alleen uit mogen zoeken. Hoe het allemaal moest. Misschien dobberde hij er nog steeds wel rond. Niet dat hij het daar nu per se over wilde hebben, nee.. wat de man maar wilde zeggen: aan de wal van de keurig nette, stabiele gezinnen was ook niet altijd alles wat het leek.
Zijn jongens hadden er echter wél hun ideeën over. Over het zeilmeisje van dertien.
Twéé jaar alléén in een bootje. Dáár begrepen ze niets van.
Want, zo berekende de jongste snel, dan was je dus twéé keer jarig, zonder dat er iemand op je verjaardag kwam.
Én, vulde de oudste aan, Sinterklaas kon je ook wel vergeten.
Het zou, bedacht de man gerustgesteld, nog héél lang duren voor zíjn jongens dertien waren.

26-8-09

Midden in het leven

Nog in het vakantiehuisje had de man, een beetje stilletjes, zijn verjaardag gevierd. Hij had het gevreesde ronde getal dan wel nog niet bereikt, maar was inmiddels toch op een leeftijd gekomen waarvan je met goed fatsoen niet meer kon beweren dat je nog niet op de helft was. Dat het meeste nog moest komen. Dat het béste nog moest komen. Dat de aftakeling nog wel even buiten de deur gehouden kon worden. Neueu, dat gevoel had de man niet. Helemaal niet zelfs. Als het beste nog moest komen, mocht het wel opschieten. De aftakeling was alláng begonnen. Op volle sterkte. In de spiegel was het duidelijk te zien. Daar zag hij zijn vader. Én zijn moeder. En rimpels en wallen, een zorgelijke blik. Haren uit alle hoeken en gaten waarin of waaruit hij ze niet wilde hebben, behalve in de inhammen op zijn voorhoofd. Die werden almaar dieper. En achterop zijn kruin, had zijn vrouw hem bij de laatste knipbeurt toevertrouwd, nou.. daar moest hij ook maar een beetje mee gaan uitkijken, in de zon.
Zo goed als geroutineerd verwisselde hij nu al twee maanden lang vele malen per dag zijn gewone bril voor een leesbril. En weer terug en nog een keer. Of andersom. Het leek verdomme wel of hij nóóit de goede bril op had voor wat hij op dat moment aan het doen was, op de tast.
Als hij te lang liep gingen zijn knieën pijn doen, als hij zijn arm teveel naar achteren hield protesteerde zijn schouder, als hij bukte of boog zijn rug, en op één of andere manier had hij ergens in zijn lies iets gekneusd of geknakt of gescheurd want in zijn been zeurde nu óók al wekenlang een vervelend pijntje dat almaar erger werd, hem overdag het bewegen bemoeilijkte en ’s nachts wreed uit de slaap hield.
Stram en stijf kwam hij uit bed en stoel. Uit bank of auto. Kreunend hees hij zich op van de toiletpot. Traag en bedachtzaam besteeg hij de fiets van zijn vrouw want de stang van zijn eigen fiets was al helemaal een onneembare hindernis geworden. Zijn sokken kreeg hij nauwelijks zelf nog aan.
Bedacht op onverhoedse en pijnlijke bewegingen manouvreerde hij zijn aftandse lijf voorzichtig de dagen door. Nee, als het beste inderdaad nog moest komen, dacht de man, dan mocht het wel iets héél bijzonders zijn.
Cynisme. Dat óók nog!
Hij was oud, somberde de man maar eens tegen zijn vrouw, bij de koffie in de tuin. Hij was een oude man geworden. En níets had hij bereikt.
Glimlachend streek zijn vrouw hem over de ongeschoren wangen, in een liefdevol gebaar.
Mannetje toch, sprak ze hem troostend toe. En je baard wordt óók al helemaal wit.

20-8-09

Halve werk

Nu de school van zijn jongens deze week dan toch maar weer begonnen was, debuteerde zijn jongste zoon als bovenbouwer. En was hij, na in de middenbouw een jaar lang de grootste, de oudste en zeker het laatste halfjaar zonder enige twijfel óók één van de stoersten en de luidruchtigsten geweest te zijn, dus voorlopig weer even de kleinste en de jongste. Nieuwkomer in een groep vol zevende- en achtstejaars die elkaar al langer kenden dan vandaag. Met het bravoure viel het dan ook wel mee toen papa hem de eerste dagen naar zijn lokaal bracht. Zo goed als timide zat hij aan zijn tafel en wachtte op de nieuwe dag. Liet zich oogluikend moed inspreken door zijn vader.
Of hij zijn zoon even kon spreken, denderde een andere vader het lokaal en hun kabbelende gesprekje in en zonder verder nog ergens op te wachten richtte hij streng maar rechtvaardig het woord tot zijn jongen. Het was nogal een stoere vader, met gel en een zonnebril in zijn haar. Een strak t-shirt om de gespierde borstkas. Twee koppen groter en twee schouders breder dan de man.
Dat er op het schoolplein namelijk iets met zíjn zoon gebeurd was, sprak de stoere vader zijn jongen belerend toe, terwijl hij met één been op de tafel ging zitten en zich iets naar hem vooroverboog.
Iets dat níet zo leuk was en dat híj had gedaan.
De man stond er volkomen overdonderd bij te kijken maar begon zich toch ook een beetje zorgen te maken over wat er nu zou volgen.
Dat híj zíjn zoon namelijk had béétgepakt, vervolgde de stoere vader tegen zijn al even beduusde jongen.
Hij had hem vástgehouden. En dat kón natuurlijk niet. Dat was vrijheidsberoving. Dus dát moest hij maar niet meer doen. Met zíjn zoon.
Besloot de stoere vader met een laatste indringende blik op zijn jongen.
Dat hij dát even had willen zeggen, bedankt, richtte hij zich afsluitend in zijn volle lengte op tot de man. Beende tevreden het lokaal weer uit. De man en zijn jongen sprakeloos achterlatend.
Tegen zijn jongen had hij luchtig gezegd dat hij zich er maar niet teveel van aan moest trekken. En praktisch dat hij dan maar beter niet meer met dat jongentje kon spelen. Maar zelf had hij zich de rest van de dag gedurig af lopen vragen of hij nou niet nét zo flink voor zíjn jongen op had moeten komen? Tegen de stoere vader? En wat er gebeurd zou zijn als hij dat gedurfd gedaan had? Als hij meteen had gezegd wat hij pas veel later bedacht had dat hij had kunnen zeggen? En hoe hij zich dáár dan weer bij gevoeld zou hebben? Of het dan dus misschien toch beter geweest was dat hij gereageerd had zoals hij had gereageerd, al voelde hij zich daar óók niet geweldig bij: verstandig conflictvermijdend negeren? Omdat er met dit soort mensen nou eenmaal niet te praten viel?
Of dat hij eigenlijk gewoon een slappe lul was?

17-8-09

Zelfkennis

Terwijl zijn gezin het er nog even van nam, nu het nog kon, en het luie leven in de laagste versnelling aan zich voorbij liet trekken, met af en toe een uitje naar het één of ander, had de man de laatste twee weken van de vakantie voor het grootste deel besteed aan het schilderen van de buitenboel. De houten uitbouw in de achtertuin bijvoorbeeld had dringend een nieuw verfje nodig. Het waren drie flinke oppervlaktes schuttingdelen, maar met zijn gezinstaak op een laag pitje kon hij lange, ononderbroken dagen maken en was dat vast een mooie opmaat voor de rest van het huis.
Het was hem vies tegengevallen, eerlijk gezegd.
Had hij het in het begin nog wel een lekker relaxed werkje gevonden, lekker buiten in de tuin een beetje schuren en plamuren met het zonnetje op zijn bol en een zomers kabbelend radiootje binnen gehoorsafstand, na een week was het eind nog altijd niet in zicht, begon het eeuwige afnemen, het urenlange schuren en gronden en nog maar een keer schuren hem behoorlijk te vervelen en kon hij Frits Spits trouwens óók niet meer hóren. Brrr.
Maar goed.
Nu was het dan klaar en het was er enorm van opgeknapt. Zijn harde, gestage en eenzame arbeid was niet voor niets geweest: strak en klassiek in de donkergroene hoogglanslak stond zijn schuurtje er onherkenbaar bij. Daar was iedereen het over eens. Zijn vrouw, zijn jongens, de buren.
Goed werk, vond ook een bevriende vader die zijn zoon kwam afhalen van een middagje spelen. Prachtig, vond hij het. Schitterend. Stijlvol.
En ja hoor, daar gingen we weer.
Dáár stond de man alweer aan te wijzen waar de verf niet helemaal goed gedekt had. Waar een blaasje was ontstaan. Waar tóch nog een druiper was blijven zitten.
Wat er allemaal weer niet aan deugde.
Het was de man een raadsel waarom hij dat nou toch maar bleef doen. Wat was hij toch ook een eikel.
En wat had hij weer een hekel aan zichzelf.

7-7-09

Alternatief

Niet dat hij het van binnen al helemaal af had hoor, zijn droomhuis op het platteland, verre van dat zelfs, maar omdat de buitenboel, waar hij in zijn grotestads yuppenappartement van weleer nooit omkijken naar had gehad, nu wel erg zichtbaar om onderhoud begon te vragen, had de man besloten deze zomer de buitenboel dan ook maar aan te gaan pakken. Een man moest doen wat een man moest doen, nu eenmaal.
Het schilderwerk, uiteraard, de kozijnen, de ramen, de dakgoot, het schuurtje. De dakkapel. De voordeur fatsoeneren, het antieke tegelwerk in het portaaltje herstellen, een regenpijp vervangen. Maar ook het één en ander in de tuin.
Een terras namelijk, direct achter het huis.
Waar het nu nog een moeilijk begaanbaar allegaartje van verlopen gazon en betonnen randjes en stoepjes was. Een tijdelijke opslagplaats ook, van van alles en nog wat dat in de rest van de tuin geen plek had gevonden maar hier wel, omdat het hier nog niet echt bij de tuin hoorde, maar ook niet meer bij het huis. Of andersom of zoiets. Een onduidelijk rommeltje.
Straks zou het heerlijke, ruime plek zijn om meteen ’s ochtends vroeg al buiten aan tafel te ontbijten. En daarna de krant te lezen, of een boek, bij de koffie. ’s Avonds buiten in de luwte te eten met een glaasje koele witte wijn.
Het waren waarschijnlijk precies deze vooruitzichten die de man ertoe hadden gebracht juist met die laatste klus te beginnen. Om er verderop in het seizoen zijn murwgeschuurde en moegeschilderde dagen ook met een biertje te kunnen besluiten.
En het eerste dat ervoor moest gebeuren, vond de man, was het bakstenen muurtje, dat in de loop der jaren op alle denkbare plekken door de ene bewoner was opengehakt en later door de volgende bewoner op een andere plek weer zéér provisorisch was dichtgemetseld, voor eens en voor altijd keurig netjes glad afstucen en een vrolijk kleurtje geven. Dat zou een veel fraaier en rustiger beeld geven dan de aftandse, armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurmetselwerk die het nu was.
Welgemoed was de man de afgelopen weken dus met cementstuc, troffel, voorstrijk en plakspaan in de weer geweest.
Maar het was hem niet meegevallen.
Het was hem bepaald niet meegevallen.
Hoe zwierig en behendig hij zijn gereedschap ook op en neer en heen en weer langs de muur liet glijden, hij kreeg het niet zo strak en glad als hij het in zijn hoofd had. Het bleef maar een beetje een armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurstukadoorwerk. Met hobbels en bobbels en randjes. Waar je trouwens, ontdekte de man, als je er maar lang genoeg beteuterd naar bleef kijken, allerlei voorstellingen in kon zien. Van vriendelijk lachende stripfiguurtjes tot keiharde porno. Nee, na inmiddels twéé voltooide pogingen was de man nog helemaal niet tevreden.
Vóórdat hij deze week echter voldoende moed voor een derde poging bij elkaar had geschraapt, kwam zijn buurman de tuin binnenlopen. Zijn buurman die óók een oud huis aan het verbouwen was. En die zijn gestucte muurtje nog niet gezien had. Er voor het eerst zijn blik over liet gaan.
Er in een breed gebaar waarderend zijn hand over streek.
Móói, vond de buurman het muurtje, nog vóór de man zijn gebruikelijke verontschuldigingen naar voren had kunnen brengen van dat het nog niet af was, en helemaal niet goed.
De buurman vond het mooi. Een beetje ruw en nonchalant, niet te nieuw en niet te netjes.. een beetje alternatief, zoals zo’n muurtje hóórde te zijn. Perfect. Zeker als het straks geverfd was.
Ja, dacht de man, ja, zó kon je het natuurlijk óók bekijken. Dat scheelde een hoop werk en gedoe. En even probeerde hij het. Of híj het óók zo kon bekijken.
Maar nee.. Nee.. Dát lukte toch niet.

6-7-09

Scheetje beef

Dat hij van de week natuurlijk altijd even terug kon komen, wanneer er verder nog iets versteld moest worden, aan de nieuwe bril, maar dat het óók nog een beetje wennen was natuurlijk, rondde de buitengewoon vriendelijke verkoper het af voor vandaag.
De man had dan ook zojuist voor een paar honderd euro nieuwe brillen afgerekend en de buitengewoon vriendelijke verkoper was er wel even zoet mee geweest ze allemaal precies naar wens recht en niet te strak maar ook niet te losjes op het hoofd van de man te krijgen. Vooral bij de bril voor dagelijks gebruik was de man nogal aanhoudend van mening geweest dat die een beetje scheef stond. En telkens had de buitengewoon vriendelijke verkoper hem de bril weer voorzichtig met twee handen afgenomen en er in zijn brillenkeukentje iets aan verwarmd en gewreven en verbogen. Tot de man zelf uiteindelijk dan ook maar was gaan denken dat het waarschijnlijk óók nog een beetje wennen was natuurlijk, hij de verkoper vriendelijk bedankte en vertrok.
Maar wennen deed het dus niet en de man blééf lopen met het gevoel dat zijn bril een beetje scheef stond. Een beetje losjes, aan één kant. Niet lekker zat, zoals het hoorde. En in de spiegel meende hij dat trouwens ook te zíen, hoewel het moeilijk te beoordelen viel omdat hij zijn hoofd er in van die vreemde standen bij moest houden. Dus was hij teruggegaan naar de winkel, waar hij dezelfde buitengewoon vriendelijke verkoper aan de balie trof. Die het razend druk had met een andere klant maar niettemin vroeg of hij snel tussendoor misschien iets voor de man kon doen.
De man vertelde wat hem stoorde.
De buitengewoon vriendelijke verkoper liet hem, in verband met de tijd, niet helemaal uitspreken, keek zijn bril eens indringend aan en sprak zijn vakkundig oordeel uit dat het niet aan de bril lag. De bril stond recht. Het was de vorm van zijn hoofd. Voor de lieve vrede wilde hij heus wel even een beetje aan een brillepootje rommelen, maar daarna drukte hij de man de bril met een beslist gebaar op de neus en met een even vriendelijk als onverzettelijk tot ziens wendde hij zich weer tot zijn klant. Die óók koning was tenslotte, dat begreep de man ook heus wel. Maar zijn bril zat nog altijd een beetje scheef. En losjes aan één kant. Dat voelde hij op de stoep al.
Dus nu restte de man niets anders dan regelmatig langs de brillenwinkel lopen en door de ruit naar binnen kijken of er vandaag misschien een ándere verkoper aan de balie stond. Die níet vond dat hij een rare kop had. En zijn bril even recht wilde zetten. Want zo zat de man in elkaar.

3-7-09

Dikke pret

Goed, het was warm.
Het was zomer, en bijna vakantie.
Het basisonderwijzend personeel had het zó druk met het afronden van het schooljaar vóór de zés(!)weekse vakantie begon dat ze de kinderen er deze week eigenlijk ook al niet meer bij konden hebben. Die hoefden deze week dus alom alleen nog maar ochtendjes naar school, om in hun al wel vast onttakelde lokalen een beetje te freewheelen. Na de feestweek van vorige week.
En natuurlijk had iedereen inmiddels ook braaf zo'n door de aldi of de action of een andere goedkope-rotzooi-boer voorgeschreven opblaasbaar zevenpersoons zwembad in zijn tuin staan. Naast de al even onvermijdelijke gigantische trampoline. Voor de kids.
Hartstikke leuk. Lekker spelen.
Tot zover kon de man het allemaal nog wel hebben. Iedereen zijn lol.
Maar was het nou óók normaal dat hem nu dus al meerdere middagen de hele middag tot diep in de avond horen en zien verging van de krijsende, gillende, joelende, scheldende en elkaar de tent uit treiterende kinderen zonder dat er ook maar één keer een vader of moeder naar buiten kwam om daar iets van te zéggen? Om de boel een kléin beetje in goede banen te leiden? In íets rustiger vaarwater? Jongens, denken jullie een beetje aan de buren? Dat werk?
Nee. Ja. Nee. Dat was inderdaad normaal. Want hij hoorde het in zeker drie achtertuinen om de zijne heen precies zo gebeuren. Of niet gebeuren. Dús dat was normaal. En de man was een zeikerd. Zo zou het wel weer zijn.

30-6-09

Retero

Al een tijdje was de man aan een nieuwe bril toe. Dat wil zeggen, eigenlijk was hij vooral aan een léésbril toe. Na jarenlange koppige ontkenning had hij zich daar, gedwongen door een onleesbaar geworden krant, dan maar eens bij neergelegd. En om de pijn een beetje te verzachten mocht hij dan ook een nieuwe gewone bril uitzoeken. Van zichzelf. Deze droeg hij tenslotte ook alweer bijna vijf jaar, dat kon wel eens een keer. Zelfs de verzekering ging daar soepeler mee om, al was het maar voor veertig procent, met een maximum van honderd euro.
Tot nog toe was het er van luiheid, gemakzucht en drempelvrees weliswaar niet zo van gekomen maar omdat er deze week een dingetje van zijn bril was afgebroken waardoor het dragen ervan hinderlijk pijn ging doen, had hij zich dapper overal overheen gezet en besluitvaardig voor een paar honderd euro nieuwe brillen aangeschaft. Een leesbril, een zonnebril op sterkte en een hip nieuw model voor alledag.
Nu moest hij natuurlijk nog een week of twee wachten, op zijn aankoop, dus om nou niet al die tijd met een pijnlijke neus rond te lopen had de man in vredesnaam maar een bril uit een grijs verleden uit een doos opgediept. Die hij, dat zag je dan maar weer wel, dus niet voor niets al die jaren bewaard had. Het was de bril waar hij eind jaren tachtig, begin jaren negentig de blits mee had gemaakt. Toen de wat grotere monturen het goed deden en die vandaag de dag dus ook nog op zijn in al die jaren toch wat gevulder geworden hoofd paste.
Het was beter dan pijn in zijn neus, vond de man gelaten, maar niet véél beter. Schuchter bewoog hij zich door het straatgewoel en hoopte op weinig bekenden. Een even vergeefse als overbodige hoop. Want iedereen die hij natuurlijk tóch gewoon tegenkwam prees hem zó welgemeend uitbundig met zijn leuke nieuwe bril dat hij zich zelfs heel even ging afvragen of hij zijn dure geld niet beter aan iets anders had kunnen besteden.

22-6-09

Oók metero

Dat haar hóófd zo vol zat, klaagde zijn vrouw tegen de man. Dat ze deze laatste weken voor de vakantie nog zó ontzéttend véél moest dóen.
Dat was natuurlijk wel het voordeel van een goed-opgevoede geëmancipeerde huisman als partner: die had inmiddels geleerd hoe het moest. Die wíst tenminste dat hij niet meteen met dooddoeners of oplossingen op de proppen moest komen wanneer zijn vrouw haar gemoed eens wilde luchten. Dat hij haar stress en frustratie niet meteen met een potje ontspannende sex te lijf moest willen gaan. Maar dat hij gewoon moest luisteren.
Nu was de man natuurlijk óók heus nog niet vergeten hoe het gesprek de dag ervoor was verlopen, toen híj zijn alledaagse huiselijke onvrede had proberen te uiten en zijn vrouw om er vanaf te zijn bij voorbaat al had gevonden dat hij zich niet zo moest aanstellen. Maar om haar nu meteen met gelijke munt terug te betalen, dat vond hij dan ook weer zoiets. Hij kon misschien beter het goede voorbeeld geven, als emotioneel gevorderde en positief ingestelde man. Dus luisterde hij geduldig, belangstellend en meelevend naar wat zijn vrouw dan allemaal dwars zat.
Dat ze, zodra ze wakker werd, lijstjes lag te maken. Somde ze verder op. En dingen niet lag te vergeten.
Hoe ze voor het eind van het jaar nog stapels rapporten en verslagen moest lezen en doorgronden en tot plannen moest verwerken. En in roosters in moest passen. Dat allerlei informatie nog ontbrak en dat dat dus nooit allemaal kon lukken. Dat ze daarnaast ook nog gewoon voor de klas moest staan.
De man knikte en schudde en humde invoelend en begrijpend, precies zoals dat van hem verwacht werd. Maar omdat hij nou eenmaal een man was, en heus niet om wraak te nemen voor de dag ervoor, kon de man het uiteindelijk ook niet laten om, ná al het inlevend gehum en geja en genee en genou, met een idee te komen. Een soort van oplossing, voor één van haar zorgen.
Oeps.
Hij probeerde zijn machotong nog af te bijten maar hij was nét te laat. Hij had het al gezegd.
En in plaats van hem nou genadeloos met zijn botte, zelfingenomen, typisch mannelijke, gevoelloze testosterongelul om de oren te slaan, nam zijn vrouw zich voor zijn idee eens met haar collega’s te bespreken.
Dus de man begreep er weer eens helemaal niks meer van.

21-6-09

Metero

Dat hij zich de laatste tijd een beetje minnetjes voelde, klaagde de man tegen zijn vrouw.
Een beetje uit balans.
Dát, meende hij, was nou één van de voordelen van het huismanschap: dat je je huishoudelijke frustraties en gevoelens van onduidelijke onvrede dus onbekommerd breeduit met je vróuw kon delen. Een vrouw! Van oudsher dé vanzelfsprekende én natuurlijke want genetisch bevoordeelde expert op emotioneel en spiritueel gebied.
Waar een collega-huisvrouw er bij haar mannelijke kostwinner natuurlijk maar bekaaid van afkwam. Want díe lúisterde niet. Het carrièrezwijn. Díe kwam meteen met een dooddoener. Of nog erger: een oplossing. Die begreep niet dat het juist om het klágen ging. Het stoom afblazen. En dat daar nou gewoon eens iemand naar luisterde. Zodat je je óók eens serieus genomen voelde. En het gevoel kreeg dat je bestond.
Mannen begrepen dat niet.
Vrouwen wel.
Vrouwen konden véél beter met gevoelens overweg, dat wist iedereen. En zo stond het trouwens ook in alle bladen.
Dat hij de laatste tijd dus zo het gevoel had dat het er allemaal niet toe deed, wat hij wel deed of niet deed. Maakte de man zich monkelend verder op zijn hart eens even lekker te luchten en zich in het warme bad van het vrouwelijk begrip te laten glijden.
Dat hij zich zo margináál voelde.
Hij dacht aan zijn dagen die in de aanloop naar de grote vakantie vakkundig in piepkleine en onbruikbare stukjes werden gehakt, door de school van zijn jongens, waar altijd wel weer een ochtend of een middag op hem gerekend werd, als betrokken vader. Aan alle klussen en projekten waar hij op die manier dus nóóit aan toekwam, en die de laatste tijd dan ook helemáál nooit verder kwamen dan een armoedig beginnetje. En het dagelijks gevoel dat hij weliswaar de godganse dag van hot naar her had gereest en gesjouwd maar eigenlijk geen reet had gedáán.
Dat hij zich niet zo moest aanstellen, vond zijn vrouw, rúim voordat hij zijn litanie was begonnen.
Dát het op wereldschaal natuurlijk ook helemaal niks uitmaakte wat hij deed of niet deed. Maar dat dat voor haar net zo goed gold en verder voor iederéén! Dus waarom niet voor hem?
Waarmee het onderwerp wat háár betreft, zo hoorde de man aan haar kribbige toon, al weer véél te lang ter tafel was geweest.
En de man begreep het. Vrouwen hebben het gráág, veel en uitgebreid, en deskundig over gevoelens. Maar wél graag hun éigen gevoelens.

10-6-09

Vrijheid van geen meningsuiting

De man zat op het station en wachtte op een trein die volgens een zojuist vriendelijk maar beslist omgeroepen bericht voorlopig niet zou komen. Naast hem op het bankje slaakte een man een diepe en schampere zucht, gooide zijn armen in de lucht, liet ze kletsend weer op zijn trainingsbroek vallen en schudde opzichtig zijn kortgeschoren hoofd. Het was een nogal forsgebouwde man. Waarschijnlijk, dacht de man, zou hij ook nog wel ergens een flinke tattoo hebben, maar dat kon hij zo snel niet zien. Het was kortom niet direct het soort man waar hij normaalgesproken snel een praatje mee aan zou knopen, maar ach.. nood brak wetten, én leerde bidden.. je moest toch wat nietwaar? En de trein kwam voorlopig niet, dus dat schiep een band.
Dat het weer een mooie boel was, opende de man het praatje waarmee ze dan samen de tijd maar door moesten zien te komen.
De forsgebouwde man beaamde dit met een kort geluid dat zowel instemming als afkeuring uitdrukte, en keek bedachtzaam naar het andere spoor, waar wél een trein op vertrekken stond. Oók met een flinke vertraging weliswaar, maar wél in het hier en vooral ook het nu.
Dat hij natuurlijk ook gewoon naar Den Haag kon gaan, mijmerde de forsgebouwde man hardop, want daar ging de trein op het andere spoor naar toe.
Dat hij daar namelijk altijd gewoond had, in Den Haag, ging hij op gemoedelijke toon verder en legde aldus, toch wel een beetje tot opluchting van de man, zelf ook van oorsprong Hagenaar, voor úren potentiële gespreksstof op tafel.
Maar dat hij er was vertrokken omdat hij niet van bruinen hield, maakte de forsgebouwde man het verhaal af. Vooral aan de ui was goed te horen dat hij inderdaad uit Den Haag kwam.
Dus daar zat de man. Binnen een halve minuut en twee zinnen was zijn goedbedoelde praatje vastgelopen in een dilemma. Zijn gelegenheidsgesprekspartner was de nieuwe vrijheid van meningsuiting toegedaan. Waarin je mocht zeggen wat je dacht, zonder dat je per se hoefde na te denken over wát je dan ging zeggen.
En de man kon daar natuurlijk best zíjn mening tegenover zetten, die wat genuanceerder lag, maar op één of andere manier had hij het idee dat hij dat maar beter niet kon doen. Zo zat de nieuwe vrijheid van meningsuiting nou eenmaal niet in elkaar. En om er nou níets tegenover te zetten en evengoed een gezellig praatje over Den Haag te gaan zitten hebben, dat was óók weer zoiets.
Er restte hem niets dan ongemakkelijke stilte.
En de trein zou voorlopig niet komen.