Ik schrijf, dus ik blijf

Mijn foto

Archieven 2001

Colofon

  • weblog van een huisvader
    tekst & illustraties: ©JosvanVenrooij contact: hetbewijs[at]josvanvenrooij.nl
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

5-2-10

Glad ijs

Het was spekglad op straat. Onderweg had de man al een aantal al te overmoedige fietsers lelijk onderuit door de bocht zien gaan dus voorzichtigjes aan liep de man, op zijn hoede voor een eigen valpartij, naar waar hij wezen moest. Straatje uit, bruggetje over, stoepje op en stoepje af.
Aan de volgende stoeprand hield hij even stil voor een aankomende fietser, een jonge moeder met een leeg kinderstoeltje achterop, die op haar beurt aanstalten maakte om stil te houden voor hem. Een leuke jonge moeder was het, dat zag hij wel, een vrolijke verschijning. Het was het soort leuke jonge moeder waarbij de man om één of andere reden altijd graag een beetje als leuke jonge vader voor de dag wilde komen. Waarvan hij, als zijn humeur maar goed genoeg was, soms zelfs het idee had dat dat dan lukte.
Maar hoe goed zijn humeur vandaag ook was, bij deze leuke jonge moeder maakte hij duidelijk geen schijn van kans want vóór hij ook maar íets leuke jonge vaderigs tegen haar had kunnen zeggen, liet zij hem al vriendelijk glimlachend voorgaan met de dodelijke woorden: ”Steekt u maar rustig over hoor, ik kan makkelijk even stoppen”. Op die hinderlijk geruststellende, sussende toon die speciaal voor bejaarden is uitgevonden.
De man wist natuurlijk best dat zijn leuke jonge vader dagen al lang en breed achter hem lagen, zeker als hij zijn jongens niet bij zich had, maar dit vond hij nou toch ook weer een beetje overdreven.
En zijn humeur zou vandaag ook wel niet meer te redden zijn.

28-1-10

Tsjing! Boem!

Na een jaar algemene muzikale vorming met veel blokfluit én nog enig vijven en zessen had de man zijn jongens vorig jaar zover gekregen dat ze allebei een oriënterend jaar muziekles zouden volgen. Een halfjaar muziekinstrument één, een halfjaar muziekinstrument twee. En dan kiezen.
Voor zijn jongens had dat niet gehoeven. Die wisten het zó ook wel, wat ze wilden. De oudste piano, de jongste drummen, namelijk. Maar ja. Wáár liet je in vredesnaam een piano? Om van óók nog een drumstel nog maar te zwijgen. En wat het laatste betreft zag de man ook wel een klein beetje op tegen de verschrikkelijke afschuwelijke en oorverdovende takkeherrie die dat ging geven. Vandaar dat hij zijn oudste maar voorál zijn jongste erg had aangemoedigd toch zéker ook een half jaartje gitaar te proberen. Want een gitaar, bejubelde de man enthousiasmerend, was óók een héél leuk instrument. Je kon er al snel een liedje op spelen, je kon er bij zingen en je kon hem overal mee naar toenemen. Dat kon met een drumstel niet. En met een drumstel móest je altijd in een bandje spelen, want in je eentje een beetje zitten drummen, daar was niks aan natuurlijk. Met een gitaar had je verder niemand nodig.
Zijn jongste vond het geen sterke argumenten. Het leek hem ook juist hartstikke léuk om in zijn eentje een lekker potje te gaan zitten drummen dus het was vooral omdat hij wel aanvoelde dat hij weinig keus had dat hij instemde met het plan van zijn vader. En zo had hij zich de afgelopen maanden dan aan de gitaar gewijd. Hij kende al snel een paar akkoorden, vond het stiekem ook best wel een beetje stoer staan en bleek er ook gerust wel enige aanleg voor te hebben. En omdat het dus allemaal zonder noemenswaardig mopperen en protesteren verliep, begon de man al stilletjes te hopen dat zijn plannetje misschien wel zou slagen, en dat de keuze op de gitaar zou vallen.
Maar vanmorgen roffelde zijn zoon luidruchtig een langgerekte break op de ontbijttafel, als intro voor de opgetogen mededeling dat hij vanmiddag zijn láátste gitaarles had. En dat hij volgende week dus éindelijk ging drummen! Joepie!!
De man ging maar eens nadenken of hij nog een drumstel kon inpassen op de bovenverdieping. Nu hij toch weer aan het verbouwen was.

27-1-10

De man in huis

De middag liep op zijn einde. De man was in de keuken in de weer, met broccoli en prei, maar wachtte ook een klein beetje op zijn vrouw, die nu toch wel bijna thuis zou komen. Hij was namelijk nogal in zijn nopjes omdat hij boven in de slaapkamer met klussen was begonnen vandaag. De afgelopen week had hij al wel flink wat heen en weer gesjouwd, met bedden en buro’s en linnenkasten, om de slaapkamer helemaal leeg te krijgen en de bovenverdieping te reorganiseren zonder in te leveren op het aantal slaapplaatsen in huis, maar vandaag had hij dan een begin gemaakt met het strippen van plafond en wand. Enorme hoeveelheden zachtboard en gipsplaat had hij verwijderd. En daarbij was hij ook nog op een leuke verrassing gestuit waarvan hij nu erg benieuwd was wat zijn vrouw ervan zou vinden. Vandaar.
Daar zag hij haar de auto al inparkeren. Zich verkneukelend wachtte hij op het geluid van de voordeur om haar meteen mee naar boven te nemen om zijn vorderingen en zijn ontdekking te laten zien. Maar het geluid van de voordeur bleef uit, want in plaats van uit te stappen, zag hij nu, zat zijn vrouw in de stilstaande auto te sms-en. Het schermpje verlichtte haar gezicht in het donker van de avond. En toen ze minuten later eindelijk wél binnenkwam, en naar hem toeliep in de keuken, kreeg hij niet de kus die hij verwachtte maar moest zijn vrouw eerst nog een paar keer bellen, voor haar werk, met haar telefoon aan de lader, omdat haar batterij leeg was. De lader in het stopcontact boven het aanrecht, waar hij om één of andere reden altijd in zat.
Dus daar stond zijn vrouw. Te bellen en te sms-en. Voor haar werk. Mídden in zijn keuken, leunend tegen zíjn aanrecht, zónder aandacht voor hem en vréselijk in de weg.
Zuchtend en mopperend redderde de man een beetje om haar heen, om potten, pannen en schalen vanachter haar weg te pakken.
Of dat per se híer moest, liet hij zich uiteindelijk ontvallen. Waarop zíj met een geërgerd gebaar de lader uit het stopcontact trok en snuivend naar elders beende. Wat hém dan weer in het verkeerde keelgat schoot zodat hij háár iets hatelijks nariep over eindelijk thuis, bellen, sms-en, belangstelling en gedag zeggen. Je lijkt wel een vént, riep hij tot besluit.
Waar dát nou vandaan kwam.. hij wist het niet. Hij leek verdomme wel een wijf.

21-1-10

In het wild

Het blééf toch één van de leukste dingen, vond de man, om je kinderen in het wild te zien. Als je er zelf niet bij was. Het resultaat van al je opvoedkundig zwoegen. Jammer dat het zo weinig gebeurde. Omdat je er altijd bij was natuurlijk, of juist niet, dus. Bijna nooit iets ertussenin. Dat je er wél bij was, maar toch ook een soort van níet, zeg maar.
Met een zoen had de man zijn jongste zoon vandaag bij gitaarles afgeleverd, dag jongen, veel plezier en tot straks, en vertrok meteen weer om, vóór hij hem op kwam halen, snel nog even de boodschappen te doen. Ook wat dat betreft was twintig minuten net niks natuurlijk, maar goed. Hij was de hoek om, uit zicht, op weg naar de uitgang, en hoorde zijn zoon op de achtergrond nog net een gesprek beginnen met de mevrouw die daar elke week zat, op háár kind te wachten waarschijnlijk. En omdat hij het dus zo leuk vond, zijn kinderen in het wild, hield hij zijn pas in en bleef staan, ondertussen zogenaamd een tijdschrift doorbladerend, om zich voor de andere mensen een houding te geven.
Dat hij nu een half jaar gitaarles had, vertelde zijn zoon desgevraagd, maar dat hij over twee weken een half jaar ging drummen. Om dát uit te proberen. Dat hij de gitaar van opa had gekregen, die hem in een arm land voor een prikkie had gekocht, want dat opa nogal van het reizen was, samen met oma, in een busje. En dat een vriend van papa, de gitarist van zijn vorige bandje, uit Den Haag, die nu in Afrika woonde, er nieuwe snaren op had gezet. Dat er trouwens ook nog een andere zanger bij dat bandje had gezeten, ook uit Den Haag. En dat de tas uit de kringloop kwam.
En zo keuvelde dat nog een tijdje zéér wijdlopig door. Reuze gemoedelijk.
Terwijl de man om het hoekje zogenaamd stond te bladeren.
En ja hoor, dáár schoot zijn vaderhart weer vol.
Met zachte, warme golven.

19-1-10

Koning

De man stond bij de toonbank. Hij had een cdtje uitgezocht en wilde dat betalen. En al was hij de enige klant in de winkel, toch moest hij wachten, omdat de verkoopster aan de telefoon was.
De man vond het niet erg om even te wachten. Hij keek ondertussen gewoon naar de dvd die achter de toonbank werd afgespeeld en probeerde niet al teveel met het gesprek mee te luisteren. Dat was nog niet zo makkelijk omdat het, zag hij nu pas, een dvd van de Toppers was. Waar de verkoopster dus bovenuit moest zien te komen.
De man hoopte nu toch opeens wel dat het gesprek snel klaar zou zijn, hij hield niet van de Toppers, al hoorde hij nu dus ook opeens dat het eerder het soort gesprek was dat eeuwig door kon gaan. Een ik zeg hij heb en hun zeggen gesprek, was het. Met de stiltes van hoek tot hoek oorverdovend gevuld door de Toppers.
De man wilde weg.
De verkoopster had het blijkbaar gemerkt want ze pakte nu het lege doosje en zonder haar gesprek te onderbreken zocht ze de cd uit de la. Met één hand wist ze die uit het plastic hoesje en in het lege doosje te wurmen, zonder het te laten vallen, en nog altijd doorpratend scande ze de barcode en tikte het bedrag in op de kassa toen ze zag dat de man met een bankpas in zijn hand stond. Uit een kort knikje maakte de man op dat hij zijn pas door kon halen, hij tikte zijn pincode in en wachtte op zijn cd.
De verkoopster wapperde met haar hand. De man kon de andere kant van de lijn nu ook horen, de Toppers zaten tussen twee medleys in.
Pas toen de verkoopster zelf alweer aan het woord was maar nog altijd met haar hand wapperde, begreep de man dat hij nog op ja moest drukken. Dat vergat hij nou altijd, probeerde hij in zijn blik te leggen. De verkoopster glimlachte, maar de man wist niet zeker of dat voor hem, of voor de andere kant van de lijn was bedoeld. Met de telefoon tussen wang en schouder gedrukt deed de verkoopster de cd met de bon in een plastic tasje, dat ze eerst vragend omhoog had gehouden en met een kort knikje ten afscheid overhandigde ze het de man.
De transactie was afgerond.
De man wist niet precies hoe híj nu gedag moest zeggen. Hij wilde niet door haar gesprek heen praten, maar een hand opsteken was ook weer zoiets. Hij deed maar iets van een knikje, maar de verkoopster had zich al omgedraaid.
De Toppers zongen Never can say goodbye.
De man zette zijn kraag op en stapte de kou weer in. Hij hoopte maar dat het een héél goed cdtje was.

18-1-10

Verlenging

Goed, omdat het dus niet overging, het lichamelijk ongemak, en hij er maar mee om moest leren gaan, er vooral vérder mee moest leven, moest de verbouwing ook maar weer eens een beetje op gang komen, vond de man. Zijn vrouw was het er maar matig mee eens, die zag nogal op tegen de rommel en het stof en de beren op de weg en was bovendien bang dat hij zichzelf misschien overschatte, maar als hij dan tóch begon, dacht de man groots en meeslepend verder en dwars door haar bezwaren heen, dan óók maar meteen met de bovenverdieping.
Grote plannen, had hij daarmee, te beginnen met de slaapkamer vóór. De ouderlijke slaapkamer. Die moest dus helemaal leeg. Zijn vrouw en de man zouden dan zolang in het kamertje van de jongste slapen, en die zou weer tijdelijk bij zijn broer intrekken, dan zette de man voor die tijd gewoon het stapelbed weer in elkaar. Een flinke operatie, alles bij elkaar, want er moest nogal wat ingedikt en verschoven worden. En daar ging hij vandáág mee beginnen.
Als eerste zou hij vanochtend de zolder op gaan, voor de verlengstukken van het stapelbed. En dan zou hij meteen in één moeite door de koffers en de dozen met kerstspullen eens even terugzetten want die stonden ook alweer anderhalve week maar een beetje in de weg te staan op de overloop. Sloeg hij twee vliegen in één klap.
Meteen na de koffie beklom de man voorzichtig het laddertje door het luik naar de koude en donkere zolder, zette eerst de koffers en de dozen met kerstspullen terug op hun plek en bukte en kroop daarna zuchtend en steunend helemaal naar achteren, naar het uiterste puntje van zijn huis, want dáár had hij de verlengstukken neergelegd. Tenminste, dat dacht hij. Hij meende het zelfs zeker te weten. Maar ze lagen er niet. Ook niet in de buurt, zag hij na wat schuiven en sjorren aan dozen en kratten. Ook niet op alle andere plekken waar hij zo één twee drie kon kijken. Ook niet op plekken waar hij ze zéker niet had neergelegd. En omdat hij ze, weer naar beneden geklommen, elders in huis ook nergens kon vinden, zat er nog maar één ding op en dat was de hele zolder overhoop halen.
En dat had de man vandaag dus gedaan, met zijn tijd.
Alle dozen, kisten, koffers en zakken waren open en van hun plaats geweest. Hij was van álles tegengekomen, behalve de verlengstukken. Zonder welke hij het stapelbed niet op kon zetten zodat hij de jongenskamer niet kon verplaatsen waardoor hij de slaapkamer niet leeg kon halen en hij dus zijn hele verbouwing niet kon beginnen. Dat kon je gerust vruchteloos zoeken noemen.
Maar goed, de kerstspullen stonden weer boven op zolder. En dat was ook wat waard.

14-1-10

Aan de kant

Van de week keek de man een damesblad in. Of nou ja, een echt dámesblad was het eigenlijk niet, dat mocht je vast niet zeggen, het was het voormalig feministisch maandblad dat tegenwoordig, zo meldde de slogan onder het nieuwe logo, de vrouwelijke opinie aan de man bracht. Hij kende het blad wel natuurlijk, hij las er wel eens vaker in, als hij het toevallig tegenkwam, zoals nu, maar dit was een erg bijzonder nummer want, waarschuwde een felroze stickertje, het ging hélemaal over mannen!
Hoei! Dat wás me wat. Dat was weer eens iets anders, blijkbaar.
Je kon het aan de omslag trouwens ook van verre al zien want daar stond paginagroot het zwart pictogram van een stropdas op, als blikvanger. Logisch natuurlijk: mannen dragen stropdassen. Net als vrouwen netkousen. Met hoge leren laarzen.
Nou, de man was benieuwd. Het ging over het welbevinden van de man in het algemeen. Daar had het vrouwenblad onderzoek naar gedaan, met een enquete, onder mannen. Konden de mannen het allemaal nog wel een beetje bijbenen, vandaag de dag? Konden ze wel wennen aan al die geëmancipeerde vrouwen? Waren ze nog gelukkig met hun eigen vrouw, nu die een carrière had? Deden ze wel genoeg in het huishouden? En konden ze het wel verdragen dat hun vrouw misschien wel méér ging verdienen dan zij? Of dat zíj het initiatief nam in bed?
De man ging er eens goed voor zitten, dit ging tenslotte over hem. Het was, las hij nu ook pas goed, zelfs een ode, aan het mannelijk geslacht.
Dat mannen dus eigenlijk wel gelukkig waren, met de hele situatie en de geëmancipeerde vrouw, was de uitkomst van de enquete. Dat zij dat althans bewéérden, tegen het vrouwenblad, schreef het vrouwenblad, en dat dat natuurlijk al een héle vooruitgang was omdat mannen nu dus in elk geval wel de sociaal wenselijke antwoorden wisten op te lepelen, al bleef het natuurlijk de vraag wat ze er nou precies van méénden.
Nou, dacht de man, dat was een goed begin. Zet je een hele enquete op touw, met sociaal wenselijke antwoorden en al, en dan trek je daarna meteen op pagina één de betrouwbaarheid van je respondenten in twijfel omdat ze antwoorden geven die niet helemaal voldoen aan het pleistocene manbeeld dat je blijkbaar als uitgangspunt had genomen.
Geboeid las de man verder.
Dat mannen wel bewéérden dat ze het prima zouden vinden wanneer hun vrouw meer zou verdienen dan zij, bijvoorbeeld, maar dat er natuurlijk maar afgewacht moest worden of dat nog steeds zo was wanneer het ook echt gebeurde..
Hetzelfde gold uiteraard voor het achteruit laten inparkeren van hún auto. Eérst zien, dan geloven.
En dat ze dan wel braaf de carrièrevrouwen van de wereld beweerden te bewonderen, maar dat hun ideale vrouw er toch maar mooi als Yvon Jaspers uitzag. En níet als Neelie Kroes. Ha!
Dat mannen wel zéiden dat ze hun vrouw het liefst gewoon in een broek met een trui zagen, maar dat dat natuurlijk vreselijk hypocriet was omdat ze verderop in de enquete, waar het over sex ging, juist zeiden dat ze hun vrouw het liefst uitdagend gekleed zagen! Zo! Die zat!
En zo ging dat nog een paar onderwerpjes door. Maar de man had er geen zin meer in. Het themanummer gíng helemaal niet over mannen. Het ging gewoon over vrouwen.
Zuchtend legde de man het blad opzij.

13-1-10

Heen & weer

Sinds het almaar zo koud en glad was buiten waren zijn jongens allebei al een paar keer pijnlijk onderuit gegaan met hun fiets, op weg van huis naar school of weer terug. En omdat ze daar dus schoon genoeg van hadden was besloten voorlopig maar van en naar school te lopen, zó ver was dat tenslotte ook weer niet, er moest ’s ochtends misschien alleen iets eerder van huis vertrokken worden.
Hoewel het hele gedoe van fietsen uit het schuurtje pakken, fietssleutel kwijt, lichtjes aanklikken en lichtjes vergeten of verkeerde lichtjes gepakt dan weer kwam te vervallen dus in tijd maakte het waarschijnlijk niet eens zo gek veel uit. Zou het lopend nog wel eens sneller kunnen zijn ook, bedacht de man achteraf.
Maar goed.
In elk geval waren die wandelingetjes naar school, door de koude ochtendschemer, nogal gezellig uitgepakt. Niks geen geruzie over wie er naast papa mocht fietsen of wie er véél te langzaam vlák voor de ander reed en wie wie nou precies had afgesneden en waar.. één en al gemoedelijkheid. Sámen door het donker, het gevaar trotserend, op een barre tocht naar school.
Papa liep zelfs opeens weer hand in hand met aan iedere kant een jongentje. Dát was lang geleden! Het paste bijna niet meer, vanwege die grote, stugge handschoenen die ze tegenwoordig aanhadden, maar daar líep hij hoor, trots als een pauw en net als vroeger. Uitgebreid keuvelend over van alles en nog wat. Héérlijk, vond de man het. Kon hij éven net doen alsof de tijd níet voorbij was geraasd. Alsof ze niet alweer bijna groot waren, maar gewoon nog zijn peuter en kleuter, net als gisteren.
En al was het vandaag niet echt meer nodig, waren alle wegen nu wel zo’n beetje schoon gereden, papa dacht dat het voor de zekerheid misschien toch beter was nog maar een dagje te lopen.
En zijn jongens waren het gelukkig van harte met hem eens.

11-1-10

Flaptekst

Zijn dochter kon zich er in haar recente puberverleden al bijzonder smakelijk zuchtend en tuttend aan ergeren, die kon er al vroeg met wanhopig ten hemel geslagen blik en het schaamrood op de kaken zo heerlijk niet bij staan te horen, en laatst meende hij trouwens nog eens gemerkt te hebben dat ze dat tegenwoordig ook zo af en toe maar nauwelijks kon onderdrukken maar dat had het er eerlijk gezegd altijd alleen maar leuker op gemaakt.
Vandaag had hij zelf misschien ook wel graag even een stukje opzij willen gaan staan, van zichzelf. Aan de balie van de boekwinkel, waar hij een mooi, dik en luxe uitgevoerd boek als cadeautje wilde laten inpakken, voor zijn vrouw. Eigenlijk waren het zelfs twee boeken, samen in een doos. Een verzameld werk zogezegd. Zijn vrouw en de man waren deze dagen achttien jaar bij elkaar, vandaar, dat mocht wel wat kosten.
Of het een cadeau voor een heer was, of een cadeau voor een dame, vroeg de vriendelijke verkoopster. In verband met de kleur van het papiertje natuurlijk, en het lint. Maar de man hoefde al geen antwoord meer te geven want, liet de vriendelijke verkoopster er onmiddellijk op volgen, het damespapier was op. Er was alleen nog heren.
En híer kon de man het dan dus weer niet laten met een jolige kwinkslag uit de hoek te komen. Hoewel zijn dochter er niet bij was hóórde hij haar zuchten en tutten.
Dat dat hélemaal niet erg was want dat het gelukkig een cadeautje was voor een héérlijke dame!! Schalde het met twee uitroeptekens door de winkel. Op maandagochtend.
Nog vóór de vriendelijke verkoopster hem wat ongemakkelijk lachend aankeek had de man zelf alláng gehoord hoe dat klonk, maar net te laat natuurlijk weer om het niet gezegd te hebben.
Dáár zag hij zichzelf staan. Met zijn grijze haren en zijn bruine boodschappentasje, dat hij net nog een beetje stram door de knieën naast zich op de grond had gezet. Daar stond een ouwe snoeperd! Het was de opmerking van een ouwe snoeperd.. De vriendelijke verkoopster dacht er precies zo over, dat zag de man heus wel. En zijn haastig opgehangen verhaal over zijn stoere vrouw en hemzelf en hun achttienjarig jubileum, dat maakte het er allemaal niet beter op.

9-1-10

Klunen

Eigenlijk had hij bedacht het er niet al teveel meer over te hebben. Het werd zo snel gezeur. Zelfmedelijden en zo. En hij had zich nou eenmaal voorgenomen er het beste van te maken. Dus.
Maar vanochtend werd voor het eerst deze winter de sloot achter hun huis weer beschaatst, zagen zijn jongens opgetogen, en die waren meteen niet meer te houden.
Vorig jaar was dat voor het eerst gebeurd, sinds ze hier woonden, op het platteland. Geweldig was dat geweest. De hele straat, de halve buurt had zich op het ijs verzameld en twee dagen lang was er gezamenlijk geschaatst. De man had ijshockeysticks gemaakt voor de kinderen, een buurvrouw verstrekte warme chocolademelk en weer een ander snert, of glühwein. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat waren zijn jongens buiten onder de pannen geweest. Zó uit de eigen achtertuin het ijs op. Met knalrode konen weer thuis gekomen. En ook zijn vrouw en de man hadden zich uitbundig in de winterpret gestort. Genoten hadden ze. Genoten had de man.
Maar vandaag had hij niet meegedaan. Hij had het niet aangedurfd, met zijn bejaarde heupen, op het gladde ijs. En tegen alle goede voornemens in had hij dat toch een klein beetje zielig gevonden, voor zichzelf.

7-1-10

In de familie

Als zijn jongens een film zaten te kijken, op tv, of één of andere serie, dan wilde het wel eens voorkomen dat zij iemand herkenden, op het scherm. Dan zagen ze bijvoorbeeld een figuur in een leren jas met opgezette kraag die erg zijn best deed om duister te kijken, onder het randje van zijn pet om het hoekje van de deur, met een neppistool zogenaamd in de aanslag, en dan riepen zijn jongens, bijna opgelucht in koor: Hé! Dat is de visboer van Minoes!
De kwaadaardige geleerde met een sikje en hele gemene en schadelijke plannen voor de wereld bleek al snel eigenlijk de winkelier van Pluk te zijn en weer een andere lomperik de kapper van Ja Zuster Nee Zuster.
Grappig, vond de man dat. En lief.
Zelf was hij de afgelopen dagen eigenlijk wel benieuwd geweest naar de eerste afleveringen van twee nieuwe, wéken voor aanvang al alom en luidkeels bejubelde televisieseries. Daar was hij dus maar eens voor gaan zitten en het was hem niet tegengevallen ook. Maar hij kon het toch ook niet laten enigszins verbaasd te constateren dat prins Bernhard dus gewoon de zoon van Annie MG Schmidt was.

6-1-10

Reflex

Met de lege boodschappentas opgevouwen onder zijn arm, wurmend aan zijn sleutelbos voor het boodschappenmuntje en ondertussen zijn fietssleutel eraan vastklikkend stapte de man neuriënd van goede zin de supermarkt binnen en kon nog net, nog nét een drol ontwijken. Dankzij een jarenoude, ingesleten supersnelle grotestadsreflex, die het blijkbaar nog altijd deed.
Een enorme drol die midden in de tochtsluis lag, middenop de deurmat, vlak voor de binnenste automatische deuren. En het was goed te zien dat niet iederéén die hem voor was gegaan zo’n handige supersnelle grotestadsreflex had.
Gadver! Een dikke, lichtbruine drol! Okerachtig, eigenlijk meer. Middenop de deurmat in de supermarkt.
Even keek de man naar de altijd wat ranzige dakloze krantenverkoper die onverstoorbaar als altijd zijn dankuwelalstubliefmantra zat te zingzeggen, naast de ingang, maar nee.. dat zou wel niet.
Daar had gewoon een hond zitten kakken.
Daar had dus iemand naar zijn hond staan kijken, of waarschijnlijk eerder zo’n beetje quasi afwezig de andere kant op, maar daar hád dus iemand naast zijn hond gestaan terwijl die een dikke drol zat te draaien. Een okerkleurige dikke drol. Middenop de deurmat ín de supermarkt. Vlak voor de deur. En die had dat vervolgens laten liggen, als de gewoonste zaak van de wereld. Als andermans probleem. Had zich misschien niet eens echt stilletjes uit de voeten gemaakt. Was misschien zelfs nog wel gewoon boodschappen gaan doen.
Iets anders kon de man er niet van maken.
Maar misschien was dat dan ook nog een grotestadsreflex.

5-1-10

Straatje

Je kwam toch ook wel weer voor lastige vraagstukken te staan, met die sneeuw en die ijzelzooi, vond de man.
Nadat hij zelf een paar keer bijna ongenadig onderuit was gegaan, op zijn eigen bevroren tuinpad, had hij namelijk schuldbewust schop en bezem ter hand genomen en de boel van de voordeur tot de stoep ijsvrij gehakt en geveegd. Om echte ongelukken te voorkomen. Niet alleen voor zichzelf en zijn gezin, maar ook voor bijvoorbeeld de postbode, waarvan hij net toevallig ook al had gezien dat die het tuinpad met angst en beven betrad.
Maar goed, nu dat er dan zo schoongeveegd bijlag, vond hij het eigenlijk weer een beetje een truttig gezicht.. alléén het eigen paadje. Van de voordeur tot de stoep en niet verder. En schoot hem trouwens ook het goed Hollands gebruik te binnen om de eigen stoep, langs het eigen erf, sneeuw en ijsvrij te houden. En dat als iedereen dat dan deed, iedereen ook veilig over straat kon. Dus, vervuld van idealisme en sociaal elan nam hij, samen met zijn zoon, opnieuw schop en bezem op, om ook de stoep langs zijn huis begaanbaar te maken.
En na een kwartiertje vlijtig hakken en vegen drong de vraag zich dan op: tot hoever te gaan. Want de buren links en rechts lieten de boel gewoon de boel. En om nou precies tot op de millimeter binnen de kadastrale erfgrens te blijven, met je sociale elan, dát had zoiets benepens.. vond de man.. Dat zag er meteen zo betuttelend uit ook. Zo ‘kijk míj nou eens een goed burger zijn’ en ‘dáár kan de hele stráát een voorbeeld aan nemen’. Huu! Nee.. dát wilde de man liever voorkomen. De buren moesten voorál niet gaan denken dat híj vond dat ze hun stoep wel eens mochten vegen.
Maar ja.. om nou nóg eens twee keer twaalf meter stoep schoon te gaan staan hakken.. dat was ook weer zoiets. En bovendien.. waar hield je dán op? Wat zouden de buren van de buren wel niet denken als je wél de stoep van je eigen buren deed, maar níet die van hun? Dan blééf je hakken en vegen.
Uiteindelijk besloot de man dan dus maar aan weerszijden van het eigen erf een lullig metertje extra schoon te maken. En hoopte hij stilletjes dat dat er dan zo’n beetje uitzag alsof hij er bij zijn actie niet zo heel erg op gelet had.

27-12-09

Voornemen

Inmiddels had de man er een tijdje op lopen kauwen, op het gesprek met de dokter. De uitslag. Het oordeel. Zijn nieuwe toestand als blijkbaar beginnend bejaarde. En uiteraard kwam het onderwerp de laatste weken ook regelmatig en uitvoerig bij koffie en borrel ter sprake. Aan tafel en telefoon. Met vrouw en kinderen had hij het er uitgebreid over gehad, met familie, vrienden en kennissen, ieder die het horen wilde.
En iedereen, zo leek het, kende wel iemand met nieuwe heupen. Of iemand die iemand kende. En daar familie van. En van iedereen, en van allerlei andere kanten ook, hoorde hij verhalen en ervaringen. Jubel en gruwel en daartussenin. Van huisarts, fysiotherapeut en lotgenoten kreeg hij adviezen en informatie. Van alle kanten kreeg hij ideeën en overwegingen mee.
En overal, duizelde het de man, viel wel iets voor te zeggen.
Dat een second opinion misschien een idee was. Dat hij immers voorál te jong was om altijd maar pijn te hebben. En dat dat toch ook niet nodig was. Dat er vast wel ergens een dokter was die hem wél wilde opereren.
Dat een nieuwe heup zeker niet zaligmakend was. Dat je er altijd last van bleef houden, dat die hooguit vijftien jaar meeging en dat je dan ook nog maar moest afwachten of er dan wéér eentje in kon.
Dat je er een nieuw leven mee begon want dat je weer liep als een kievit, een hinde, een jonge god. En dat hij daar nu, met een jong gezin en van alles te doen, toch het meest bij gebaat zou zijn.
Of dat het misschien ook niet verstandig was nú al te beslissen dat je nóg later wel zonder kon. Dat er nu, met pijnstillers en fysiotherapie, wellicht best nog een tijd goed mee te leven viel. En dat opereren dan altijd later nog kon, als het niet meer te harden viel. Dat het lullig was, maar dat tegenslag er óók bij hoorde. Bij het leven.
Dat er gelukkig ergere dingen waren.
Tja.
Wat was wijsheid?
De man besloot dat het waarschijnlijk het verstandigste was zijn eigen gevoel te volgen. En dat riep hem toe, duidelijk verstaanbaar, dat hij voorlopig géén zin had in enge operaties en vreemde onderdelen. Zodat er dus voorlopig niets anders op zat dan het als een nieuw gegeven te accepteren. En te zien hoe hij er de komende tijd het beste van kon maken.
Had hij meteen, gratis en voor niks, een goed voornemen voor het nieuwe jaar.

21-12-09

Zwarte vlekken

Nou, daar zat de man dan weer, tegenover de dokter in het ziekenhuis. De orthopaedisch chirurg. En op de tafel tussen hen in lag ook weer het metaal-met-kunststof heupgewricht, al was het, dacht de man, een ander type dan de vorige keer. Een goede maand geleden had hij hier ook al gezeten, vanwege een aanhoudende pijn in zijn liezen die hem belemmerde in alles wat hij deed en waar hij zo langzamerhand knap chagrijnig van werd.
Het verontrustend vermoeden was toen slijtage geweest. Met als nog veel verontrustender vooruitzicht de kunstheup. In de tussentijd waren er foto’s gemaakt, en een botscan, en nu wachtte de man dus de uitslag daarvan. Het definitieve oordeel. Hij voelde zich licht gespannen.
Met een donkergefronste blik toonde de dokter hem zijn bekken op het computerscherm. Een bleek en wazig silhouet, als van rook, met zwarte vlekken hier en daar. En zoals de man al vermoedde, gíng het om de zwarte vlekken. Die waren niet zo mooi, vond de dokter, en hij keek de man indringend aan. Want die zwarte vlekken lieten zien dat er inderdaad sprake was van degeneratie van het kraakbeen.
Er viel een korte stilte.
Degeneratie.. Dat klonk verdomme nog erger dan slijtage. De man keek nog maar eens naar het metalen gewricht op tafel. De spanning werd er zeker niet minder op.
En voorlopig, ging de dokter verder, met nog altijd dezelfde onheilspellende maar nu ook bezwerende blik, was daar niets anders aan te doen dan het te accepteren. En er mee leren omgaan. Want voor een nieuwe heup was hij nog veel te jong.
Verslagen ging de man als bejaarde weer terug naar huis. Degeneratie. Kut! Nu rammelde de ouderdom opeens wel érg hard en dreigend aan de deur. Die had duidelijk bloed geroken. Die liet zich niet meer wegsturen, dat had de man nu wel begrepen.
En dat er dus voor het eerst in heel lange tijd weer eens iets was waar hij nog te jóng voor was, dat kon hem ook al niet opbeuren.

18-12-09

Ding

De man liep rond in de boekwinkel. Hij moest enveloppen hebben, en nog wat van die dingen en omdat hij er nu toch was, keek hij meteen even of zijn eigen boekje er nog een beetje knap bij stond. Een tijdje geleden had hij namelijk de stoute schoenen aangetrokken, was met het hart in de keel en zijn boekje in de hand de boekwinkel ingestapt en had gevraagd of er misschien een plekje voor was.
En dat was er geweest.
Een tijdlang had er een stapeltje van tien op een tafel gelegen en heel langzaamaan was dat geslonken tot een rijtje van drie dat nu geduldig onopvallend stond te zijn, tussen de andere poëzie, toch al niet de drukste regionen in de boekwinkel.
Ook vandaag waren het er nog drie. Sinterklaas had zijn boekje blijkbaar niet gevonden.
Nou ja.
In de krant vanochtend had hij trouwens gelezen dat de PC Hooftprijs was toegekend aan Charlotte Mutsaers. Leuk mens, vond hij dat. En hij was dol op haar beeldende werk. Dat zag er altijd al net zo vrolijk en tevreden uit als zijzelf. En dan nog die extraverte knalrode mond.. dat had wel wat, vond de man. Iets zelfbewusts. Zo zou hij óók wel willen zijn. Vrolijk en tevreden, bedoelde hij. En zelfbewust. Haar boeken kende hij niet zo goed, moest hij eerlijk bekennen. Hij was er regelmatig in begonnen maar het lukte op één of andere manier niet zo. Jammer, vond hij dat. Ómdat hij het zo’n leuk mens vond.
Naar aanleiding van het bericht in de krant, en vooral ook de foto, besloot hij het dus gewoon nog eens opnieuw te proberen. Hij was nu toch in de boekwinkel. Maar hoe hij ook zocht, nergens vond hij één van haar boeken. Zelfs de nieuwste niet. Niks. Helemaal niks. Wat de man op de vrolijke en misschien net iets té zelfbewuste gedachte bracht dat hij nu dus toch maar mooi in een boekwinkel stond waar, in tegenstelling tot dat van de winnares van de PC Hooftprijs, nota bene, zíjn boekje gewoon te krijgen was.
Maar goed, zijn eigen boekje had hij al, dus om het te vieren kocht hij dan maar het eveneens in grote stapels en rijen aanwezige boekje van Paulien Cornelisse. Dat leek hem ook wel leuk. En die had óók zo’n knalrode mond.

16-12-09

Klimaatschappij

En opeens was het koud. Moesten de man en zijn jongens met wanten aan en dassen om naar school fietsen. Lekker wel, eigenlijk. Een gezond gevoel, gaf het. Maar dat was slechts schijn. Want langs de route stond een opmerkelijk groot aantal auto's onbemand stationair te draaien. Geen eigenaar te zien. De damp was op meters afstand al te ruiken, in de frisse winterochtendlucht.
Het duurde een tijdje voor hij het begreep, maar tóen begreep hij het. De auto's stonden vast op te warmen. Dat het straks niet te koud was, voor het ritje naar school met de kids. Dat de voorruit niet gekrabd hoefde worden.
Tja. Het zou wel geen agendapunt worden, op de klimaattop. Maar de man had ergens toch het idee dat dit nou juist de kern van de zaak was.

10-12-09

Viva la vida

Eigenlijk een beetje per ongeluk was de man er een paar daagjes hélemaal tussenuit geweest. Maar dan ook helemaal. Eén van zijn zangvrienden bereikte een mooie ronde leeftijd en vierde dat zeer uitgebreid.
Zéér uitgebreid.
En de man was daar ook bij uitgenodigd. Speciaal voor het feest was hij, met de hele zangvereniging, naar Spanje gevlogen. Naar een kustplaats aan de oostkant, want daar woonde de jarige zangvriend een groot deel van het jaar.
Kilometers boulevard strekten zich er breed uit langs het strand, wuivende palmbomen, terrassen in de zon met zomerse temperaturen en een uitgebreid nachtleven op de koop toe.
Verwonderd had de man zich ondergedompeld in het luie decadente leventje van de rijke overwinteraar. Wiens voornaamste bezigheid het was te flaneren langs de immer ruisende zee en de al even immer toekijkende soortgenoot, met als grootste zorg op welk terras er nu weer eens ontbeten of geluncht zou gaan worden. Hoeveel tapas men nu weer eens op tafel zou laten zetten. En welke wijn.
Naar welke club en met wie.
Hij had het zich allemaal welwillend aan laten leunen. De zon, de zee, het strand. De exquise hapjes, de uitgelezen gerechten en de exclusieve wijn. De exotische cocktails en de extravagante clubs. Het goede leven, het eeuwige feest. De achteloze rijkdom. De vanzelfsprekende overvloed.
Maar nu was hij weer thuis.
En vanmorgen was hij weer zeer tevreden met zijn jongens naar school gefietst, in alle vroegte.
Zéér tevreden.
Door de motregen.

2-12-09

Zak

Gut, nou kreeg je kind weer een trauma als je het niet vóór of uiterlijk óp zijn vierde had verteld dat Sinterklaas niet bestond. Las de man in de krant. Zelf had hij eigenlijk het idee dat kinderen van een jaar of vier het hele verhaal juist een beetje dóór begonnen te krijgen, maar van de meneer in de krant moest je dat dan dus maar meteen weer de nek omdraaien ook. Véél te gevaarlijk, zo’n onwaarachtig sprookje. En al die knullige fantasiefiguren.. brr, denkt u toch ‘ns even! Kinderen en fantasie!
Tja.
Nou, gelukkig dus maar dat zijn vrouw en de man hun jongens inmiddels hadden ingelicht, over de harde werkelijkheid, al was het rijkelijk laat geweest natuurlijk, met negen en tien. Maar wie weet viel het straks dan toch nog mee, met de schade. Als het aan de man had gelegen hadden zijn jongens namelijk nog gewoon lekker geloofd, en hadden ze zelf wel een keer de conclusie getrokken. Als ze daar zin in hadden gehad. Als ze zélf hadden gevonden dat ze er te groot voor waren geworden. De man vond de meneer in de krant een vervelende zeurpiet.
En in elk geval zijn jongste was het roerend met hem eens. Want hoe gróót hij zich nu dan ook voelde, dat híj nu óók geheimzinnig de stad in moest, om cadeautjes te kopen, voor in de schoen, en straks voor pakjesavond.. het was toch ook niet meer als vroeger, vond hij, samen met zijn vader. Er werd nog wel gezongen natuurlijk, maar echt zo vol verwachting als weleer klopte ons hart niet meer. Een gevulde schoen bij de schoorsteen was nauwelijks nog een verrassing. En voor de optocht, of een toevallige Piet in de winkelstraat was je dan ook meteen weer té groot. Dus nee, verzuchtte hij desgevraagd, hij had het toch allemaal leuker gevonden toen hij er nog in geloofde.

1-12-09

Erger

Dat er gelukkig nog ergere dingen waren. Werd de man bemoedigend toegesproken, door een kennis.
Hij was haar onderweg tegengekomen en omdat ze er zelf naar had gevraagd had de man haar verteld hoe het met hem ging. Zonder larmoyant te worden had hij zijn verhaal gedaan van pijnlijke benen en moeilijk bewegen al maandenlang, en de diagnose die hem nu dus kortgeleden was gesteld. Van te weinig kraakbeen, slijtage en nieuwe heupen. En dat hij daar eerlijk gezegd wel ‘een beetje mee an was’. Dat hij zich opeens zo bejaard voelde, terwijl hij daar nog helemaal niet aan toe was. Zo afgedankt.
De kennis had geknikt en geschud en meelevend gekeken. Nee, leuk was het allemaal niet, dat wilde ze wel geloven.
Maar gelukkig waren er ergere dingen.
En het was, ook nu hij er nog eens over nadacht, inderdaad toch gewoon nog bemoedigend bedoeld ook. De man vond het niet zozeer een schrale, alswel een vreemde troost. Natúúrlijk waren er ergere dingen, ja, dat wist de man óók wel. In zijn eigen gezin had hij al ergere dingen meegemaakt. Véél erger zelfs.
Maar wat schoot hij daar nou mee op?
En wáárom was dat gelukkig?

26-11-09

Boomen

Het was ouderavond op de school van zijn jongens. En de man had zich daar deze keer een klein beetje op voorbereid want vooral over hun jongste zoon maakten zijn vrouw en hij zich hier en daar wel wat zorgen, over de schoolprestaties. Hij zat dan wel in groep zes, maar spellen, om zo in het wilde weg maar eens een voorbeeld te noemen, dat was een serieus probleem. Tenminste, dat dáchten zijn vrouw en de man want echt ontcijferen konden ze het harkerig en vlekkerig gepriek en gekriebel waar hun jongen mee aankwam eigenlijk meestal niet, hijzelf ook vaak maar nauwelijks trouwens, maar wát er dan zo’n beetje te lezen viel, dat wemelde van altijd maar weer dezelfde fouten.
Dus dáár wilde de man het dan onder anderen maar eens over hebben, met de meester. Of díe het dan wél kon lezen. En of hij, zo ja, al die fouten dan niet zag. Waarom er anders steeds maar weer ‘goed zo’ onder stond. Of ze misschien niet een heel klein beetje tevéél van de positieve benadering waren, op de school van zijn jongens. Dat hij zijn zoon wat de man betreft ook heus wel eens vreselijk ouderwets iets overnieuw mocht laten doen, omdat het een onleesbare, liefdeloze knoeiboel vol doorhalingen, vlekken en fouten was. In plaats van er dan toch maar weer een complimentje uit te persen dat hij er zo’n leuke tekening bij had gemaakt.
Dat de man thuis regelmatig schoolwerk deed, met zijn jongens, om ze een beetje bij te spijkeren, maar dat ze ook nog op sport en muziek zaten. En dat er natuurlijk wel nog vrije tijd over moest blijven. Dat ze per slot van rekening toch ook de hele dag op school zaten, nietwaar.
Had de man zich voorgenomen om ter sprake te brengen.
Maar terwijl hij nog naar een geschikte openingszin zat te zoeken had de meester hem het rapport van zijn jongste al onder ogen geschoven.
En er met een streng maar rechtvaardig vingertje op gewezen dat het met de tafels eigenlijk niet zo goed ging.
Hoe dat kwam?
Vroeg de meester de man, op bezorgde toon.
En kijk, dáár had de man niet op gerekend.

24-11-09

Eens een man

Dat werd hem laatst trouwens ook nog gevraagd, bedacht hij zich nu dus opeens weer: Of hij zich als huisvader nou nog wel een mán voelde.
Een vreemde vraag, had de man dat gevonden. Hij wás toch een man? Dat was toch vrij duidelijk te zien? Dan vóelde hij zich toch waarschijnlijk ook wel een man? Tenminste, voor zover hij daar dan wel eens over nadacht, was hij daar altijd van uit gegaan. Dat hij zich een mán voelde, omdat hij er ook één wás. En dat álle mannen zich dus wel zo zouden voelen.
Maar blijkbaar was dat toch niet het geval. De vraag werd hem gesteld door twee vrouwen en die hádden het daar natuurlijk altijd over, over gevoelens en emoties en zo, dus dát waren de experts. Die lázen dat allemaal. Díe zouden het wel weten. En blijkbaar kon je volgens hen dus wel een man zíjn, maar je er toch géén voelen.
Zo was de man in een lastig parket gebracht want nu hij daar zo op verzoek dan eens wel bij stil stond, wist hij eigenlijk helemaal niet hoe dat dan voelde, het man zijn. Hoe hóórde hij zich te voelen, als man? Hij durfde het niet te vragen want voor je het wist werd je weer weggezet als de primitieve holbewoner die niet ‘bij zijn gevoel kon komen’, maar er moest wel geantwoord worden natuurlijk.
Kennelijk had het te maken met wat je dééd, gezien de link met het huisvaderschap waaronder hij zich dan wel eens geen man meer zou kunnen voelen.
Jeetje.
Ja, hij was niet echt een jager natuurlijk, als ze dat misschien bedoelden. Maar welke man, behalve de jagersman, was dat nou nog wel? De afgelopen eeuwen? Of was de man die ’s ochtends vroeg in een anthracietgrijs pak met roze stropdas het gezin verliet en in de van geleend geld aangeschafte gezinsvrachtwagen in de file naar kantoor de lucht ging staan vervuilen om de rest van de dag op een door belastinggeld overeind gehouden bank hypotheken te gaan zitten verkopen aan mensen die dat van zijn levensdagen niet konden betalen daar dan misschien de moderne variant van? En daarmee de nieuwe norm voor mannelijkheid? Het nieuwe ideaalbeeld? Als dát zo was, dan voelde hij zich misschien inderdaad niet zo heel erg een man. Maar dat had hij dan ook nooit gedaan, dus wist hij het nog steeds niet.
Hij had maar een diplomatiek antwoord gegeven, waar je alle kanten mee opkon, maar de vraag hield hem nog altijd bezig, bij tijd en wijle. Zoals nu, bij het wakker liggen voor het slapen gaan. Hoe zou het voor zijn vrouw zijn, vroeg hij zich bijvoorbeeld ook plotseling af. Zou zij zich misschien minder vrouw voelen, nu zij de afwas nooit hoefde te doen? De aardappels niet hoefde te schillen en haar kinderen nooit door de regen naar school hoefde te fietsen? En lekker ongestoord vol gas van huis carrière kon maken?
Hij besloot het haar gewoon maar te vragen, nu ze toch net zo samen in bed lagen. Hij kroop eens lekker tegen haar aan en sloeg zijn armen om haar heen.
Voel jij je nog wel vrouw genoeg, ademde hij warm in haar nek terwijl zijn handen in elk geval al vonden van wel.
En ben ik nog wel man genoeg, fluisterde hij zachtjes verder aan haar oor knabbelend terwijl hijzelf in elk geval al wel begon te voelen dat hij dat toch echt gewoon nog was.
Maar zijn vrouw had geen oren naar zijn emotionele dilemma’s. Een snauw kon hij krijgen.
Dat ze moe was, en wilde slapen. Omdat ze er morgen weer vroeg uit moest. Dat ze eigenlijk dus ook al sliep en dat het nog lang geen zondagochtend was en dat hij moest ophouden, met zijn gedoe.
Dus daar lag de man, nog altijd een man, in alle eenzaamheid.
En zijn vrouw, was nog steeds een vrouw.

21-11-09

Koele wie?

Zijn zoon was morgen jarig, hij werd tien jaar oud, die schat, en al lag hij dan ook ziek en uitgeteld op de bank en was het eigenlijk twee weken terug al uitgebreid gevierd, voor de grote mensen, samen met zijn broer, op de échte grote dag moest er natuurlijk toch óók een taart zijn. En die stond de man nu dus te bakken.
Leuk werkje wel. Hij had de radio erbij aangezet, voor een gezellig muziekje op de achtergrond. Pompiedompiedom. Jammer alleen dat er al gauw een speciale gast werd aangekondigd. Een exclusief gesprek met Peter Koelewijn. Over zijn nieuwe cd.
Gedverdemme.
De man had het niet zo op Peter Koelewijn. Sterker nog, hij had het er helemáál niet op. Peter Koelewijn.. dat was Vader Abraham, maar dan zogenaamd rock ’n roll. Peter Koelewijn.. dat was nou echt weer zo’n typisch nederlandse superster. Kón eigenlijk helemaal niks maar had honderdachtenvijftigduizend jaar geleden dan een keer succes gehad, omdat hij bij toeval op precíes het goede moment met een even melig als matig liedje op een uit Engeland gejat rock ’n roll schemaatje kwam, en kon daar tot in de eeuwen der eeuwen onbeschaamd op blijven teren omdat commerciële uitgekooktheid in Nederland muziekland werd aangezien voor begenadigd kunstenaarschap.
En omdat de man zijn handen net vol met taartdeeg had kon hij de radio niet zo snel uitzetten en zat er voor hem niets anders op dan tandenknarsend aanhoren hoe de ‘godfather van de nederlandse popmuziek’ zich die hem geheel ten onrechte toebedeelde rol smakelijk liet aanleunen.
Een nieuw liedje, gingen we horen, vertelde de onderdanig kwijlende dj van dienst. Van de nieuwe cd. En het heette: alles van waarde is weerloos.
Jaaa, lichtte Peter Koelewijn toe, op de gedragen toon die hij wel bij al die goddelijke inspiratie vond passen, hij had namelijk een gedicht van Lucebert gelezen, en daar kwam die regel in voor. Wát een goede regel, had hij toen gedacht. Daar móet ik een liedje van maken.
Ja hoor! Flapte de man er per ongeluk hevig verontwaardigd uit, tegen de radio dan maar.
Ja hoor! Dat heb jij in een gedicht gelezen! Je kan het dak op! Mooie nep-poëet! Nou, kom op dan, met dat gedicht! Je vindt het toch zo mooi, laat maar eens horen dan! Meneer de kunstenaar. Jij hebt die regel gewoon in neonletters op het dak van een verzekeringsmaatschappij gelezen, net als de rest van Nederland. Het is godgloeiende de énige dichtregel uit tien eeuwen literatuurgeschiedenis die gans het gepeupel met naam en toenaam uit het hoofd kan opdreunen. Omdat er een reclamedeuntje van is gemaakt. Maar de geestelijk vader van Angeline de blonde sexmachine heeft het in een gedicht gelezen.
Goed.
Volgde een tenenkrommend liedje waarin de erbarmelijkste clichés met kreupel rijm in kromme zinnen treurig aan elkaar waren gekleid en waarin zelfs die geweldige regel waar het allemaal om begonnen was niet heel was gebleven.
Alles van waarde is weerloos.
Lucebert draaide zich om in zijn graf. Maar kon zich in elk geval troosten met de gedachte dat hij wel gelijk heeft gehad.

20-11-09

Grype

Eigenlijk wilde hij het er liever niet over hebben omdat iedereen het er al over had maar je werd er toch echt doodziek van, van die mexicaanse griep. Nou geloofde hij heus wel dat je er óók doodziek van werd als je het hád, of kreeg, maar tjongejongejonge.. wát een ophef. Zwaar overdreven, vond de man het allemaal, eerlijk gezegd. Hij had inmiddels het cynisch standpunt ingenomen dat iedereen zich dus al maandenlang helemaal gek had laten maken, met de pandemie, en zich, nu het allemaal natuurlijk weer een storm in een glas water bleek te zijn, zijn sensatie niet meer door de neus wilde laten boren. We hebben récht op een pandemie, zoiets. Bovendien waren al die peperdure vaccinaties nou natuurlijk al in huis gehaald en dat was ook weer zonde, om in de kast te laten liggen.
Kortom, de man deed er niet aan mee, aan de mexicaanse hysterie, had hij zich voorgenomen.
Maar zo cynisch kon hij niet zijn of hij was toch ook in elk geval een heel klein beetje gek gemaakt, want toen zijn jongste vanochtend opeens verhit en met hoofdpijn in zijn bed lag te hoesten werd hij wel als eerste bezocht door de gedachte dat de pandemie zijn deur had weten te vinden. En dat hij nu dus waarschijnlijk moest boeten, voor zijn loochenend relativeren. In plaats van de meer voor de hand liggende conclusie dat het gewoon november was en dat zijn halve klas thuis een griepje lag uit te zieken, met de andere helft nog maar net hersteld of hoestend en proestend onderweg. En dat hij zelf trouwens ook al een week liep te blaffen.
Gelukkig begon zijn vrouw meteen hardop paniekerig over de huisarts en het spoednummer en toen wist hij het weer, net op tijd. Het was allemaal grote onzin. Dat kind had gewoon een griepje.

18-11-09

Zoo!

Ja hoor, het ging er weer eens over, in de krant van vandaag: mannen konden niet zorgen. Volgens een meneer die er voor had doorgeleerd. Ze konden nu eenmaal niet multi-tasken hè? Mannen. Dus dat werd helemaal nóóit wat. Hooguit een ramp, want het kon zelfs nog wel geváárlijk zijn ook, aldus de geleerde spreker, om mannen voor hun kind te laten zorgen. Zo’n kind viel van de trap, of kreeg de theepot over zich heen. Bovendien werd het leven toch ook één grote miserie wanneer je je als man zó volstrekt van je natuur afkeerde dat je voor je kinderen ging zorgen? Dat was vrouwenwerk. En mannen waren jagers.
Tja, dacht de man dus maar weer. Tja. Wat zou hij er nú weer eens over zeggen?
Neem nou toevallig eens zo’n dag als gisteren.
Niet voor het eerst en hoogstwaarschijnlijk ook nog lang niet voor de laatste keer dit jaar had de school van zijn jongens een extra vrije dag afgekondigd. Een studiedag, heette dat dan, want dan ‘gingen de meesters en de juffen iets leren’, zoals zijn jongens het te horen hadden gekregen. De man hoopte heel erg dat het rekenen was maar daar had hij niks over te zeggen natuurlijk, en het had er verder ook niks mee te maken.
Van een aantal moeders had hij, net als de vorige keer trouwens, alweer paniekverhalen gehoord dat dat zo’n vréselijke organisatie was. Omdat ze gewoon moesten werken en niet altijd maar vrije dagen konden opnemen omdat hun kinderen weer eens onverwacht thuis waren. En dat hun kroost juist ook die dag niet naar de bso maar naar oma ging, die je natuurlijk ook weer niet de hele dag met twee kinderen op kon schepen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, omdat ze daar tóch al zo vaak waren. Dus dat ze het nu ook niet meer wisten. Dat hun kinderen dan in godsnaam maar een paar uurtjes alleen thuis moest blijven. Dat ze daar niks van kregen, al vonden ze het niet leuk.
Omdat de man, als man, niet kón zorgen, had hij die problemen natuurlijk níet. Nee, híj had ’s ochtends vroeg een stapel broodjes en krentenbollen gesmeerd, appels, mandarijnen en koek in een rugzak gestopt en had met zijn jongens de trein naar Artis genomen. En daar hadden ze de hele lange dag uitgelaten rondgelopen, met z’n drieën. Tussen de apen, de giraffes en de olifanten. Het was prachtig herfstweer geworden ook nog. Zijn jongste had een schetsboekje van hem gekregen en die had van alle dieren die lang genoeg stil bleven staan een tekening gemaakt, zijn oudste had de camera van zijn moeder geleend en had van zelfs de beweeglijkste dieren nog een heleboel foto’s genomen. En ’s avonds na sluitingstijd hadden ze nog hand in hand in hand door avondlijk Amsterdam gelopen, met zijn miljoenen gekleurde lichtjes, met zijn indrukwekkende chaos, zijn couleur locale en geluiden. En hadden ze tenslotte ergens pizza gegeten.
Levensgevaarlijk, was het geweest. En het had helemaal nergens op geleken, inderdaad.
En oh, oh, oh wat wás het leven van de man één grote miserie.

15-11-09

Blanco

Sinds kort geloofden zijn jongens niet meer in Sinterklaas. Omdat ze er te groot voor waren.
De man had het eigenlijk wel iets moois vinden hebben hoor, dat ze met tien en elf dus nog steeds de onbedorven onschuld hadden om zo heilig overtuigd en aanstekelijk enthousiast in een sprookje te kunnen geloven. Dat dat juist voor ze pleitte. Dat dat toch stukken beter was dan van die kinderen die er met zes al te cynisch voor waren geworden, en dat je je dáár toch niet aan hoefde te conformeren. Dat je ze toch zelf wel uit kon laten vinden wanneer ze ermee op wilden houden en dat je ze toch best nog een jaartje kindzijn kon gunnen. Dat ze tenslotte hun hele lange leven nog groot en volwassen konden zijn.
Maar ieder verzet was zinloos geweest want zowel zijn vrouw als zijn dochter hadden gevonden dat dat echt niet meer kon. Dat ze er mee gepest zouden gaan worden en dat het de hoogste tijd was ze uit de droom te helpen.
Dus nu geloofden ze niet meer.
Al moesten ze daar zelf ook nog een beetje aan wennen. Vooral de jongste. Van de week meende de man hem al eens met een melancholieke blik naar een foto van de Sint in de krant te zien kijken, vandaag vroeg hij zich plotseling af wat er dan eigenlijk in dat grote boek had gestaan? Al die tijd? Of dat dan soms ook ‘niks’ was geweest? Om direct zelf op gelaten toon te concluderen dat dat natuurlijk inderdaad zo was.
Helemaal niks.
En hij was nu dan misschien wel groot, het was toch duidelijk een beetje een teleurstelling.

13-11-09

Met gebreken

Al weken liep de man steeds moeilijker met een vervelende pijn in zijn liezen. Of eigenlijk al maanden, als hij eerlijk was, want zoals het een echte man betaamt had hij eerst maar eens een flinke tijd gedacht dat het vanzelf wel over zou gaan, en had hij alleen tegen zijn vrouw geklaagd.
Goed, hij was wat oefeningetjes gaan doen, en wat meer gaan bewegen, om de boel een beetje te versoepelen en te verstevigen, dat wel. Én hij was een paar kilo afgevallen, om de boel wat te ontlasten. Hij at alleen nog verstandig, snoepte niet meer en dronk ook stukken minder en zodoende zag hij er de laatste tijd dus beter en strakker uit dan in jaren. Overhemden die hem eerder toch echt te krap waren geworden durfde hij nu wel weer te dragen. Zijn broeken waren te ruim geworden, zijn riemen hadden extra gaatjes nodig en als zijn liezen niet zo’n verdomde pijn hadden gedaan had hij ook weer zonder zuchten en steunen zijn veters kunnen strikken omdat er geen pensje meer in de weg zat.
Maar goed.. dát was er dus jammer genoeg níet beter op geworden. Hij mocht er misschien uitzien als een jonge god, hij bewoog zich als een bejaarde omdat iedere onverwachte beweging hem pijn deed. Als een oud wijf beklom hij voorzichtigjes de opoefiets van zijn vrouw, omdat de stang van zijn eigen fiets allang een onneembare vesting was geworden. Een genante vertoning. En nog altijd strikte hij zuchtend en steunend zijn veters.
Uiteindelijk was hij dan dus toch maar bij de dokter geweest. Bij de apotheek, de fysiotherapeut en de osteopaat. Maar omdat dat allemaal óók niet hielp zat hij nu dus tegenover de orthopaed, in het ziekenhuis. Die met een even korte als zorgelijke blik op zijn scherm constateerde dat de man wel érg weinig kraakbeen op zijn gewrichten had. Dat hij daar nog véél te jong voor was natuurlijk, maar dat hij dus eigenlijk aan een paar kunstheupen toe was. Om zijn woorden te onderstrepen, te verduidelijken of te illustreren of joost mag weten waarom legde hij er alvast één voor de man neer.
Als een duikelaartje draaide het ding zijn waggelende rondjes op tafel.
Zag de man verder niks meer.
Opeens was hij oud.
Oud en versleten.

12-11-09

Mikmak

Sint Maarten. Vanaf de allereerste kennismaking, drie jaar geleden, met dit voor hun nieuwe feest waren zijn jongens er dol op geweest. Een klein half uurtje de deuren langs leverde genoeg snoep op voor de rest van het jaar en dan was het óók nog eens het soort snoep dat ze thuis nooit kregen. Dus de man begreep dat wel, dat ze dat geweldig vonden. En eerlijk gezegd vond hij het zelf, even afgezien van de overdadige hoeveelheden foute zoetigheid, ook wel een charmant gebruik. Leuk, zo'n beetje ouderwetsch Hollandsche kneuterigheid. Een gezellig en vooral  kleinschalig buurtgebeuren.
En een warm idee ook, vond hij. Dat mensen elkaar opzochten, zo aan het begin van de donkere en koude periode, met lichtjes en koekjes en vrolijkheid. Daar kon hij wel wat mee, zogezegd, met dat idee. Dus had hij zich er met zijn jongens op verheugd.
En terwijl die met hun zelfgeknutselde lampionnen, hun vriendjes en hun moeder de deuren van de buurt langs gingen, zou de man thuis een lekkere pan soep maken voor na afloop en hun eigen deur opendoen voor de rest van de zingende stoet. Hij had een flinke schaal snoep klaargezet, een reservevoorraadje op het aanrecht, er toch ook nog maar wat mandarijnen en snoeptomaatjes tussen geschikt, en zo had hij zich met een glaasje wijn erbij helemaal ingesteld op een vrolijk avondje komen en gaan van lange rijen schor zingende kinderen met dansende lichtjes en van opwinding fonkelende ogen.
Maar als hij er dik twee uur later vier of vijf gezien had was het veel.
Hoe kon dat nou? Hij had toch voldoende lampen aan? Waar bleven ze allemaal? Hij zag trouwens ook helemaal geen lampionnen op straat.. Werd er dan niet gekeuveld? Wat was er gebeurd met het buurtgevoel? De man snapte er niets van.
Tot zijn gezin weer thuiskwam, met twee overvolle, uitpuilende rugzakken. Enthousiast vertelden zijn jongens dat ze naar het centrum waren gelopen en dat alle winkels daar open waren en dat ze overal wat gekregen hadden. Handenvol snoep bij de supermarkt, een grote stuiterbal bij de speelgoedwinkel, een balpen met opdruk bij de kantoorboekhandel, een bloknootje met opdruk bij de fietsenzaak, een plastic rolmaatje met opdruk bij weer een andere winkel, een gratis ijsje bij de snackbar.
Enzovoort.
Ze hadden nog wel overal een liedje gezongen. Dat wel. Met hun in tl-licht verbleekte lampionnetjes.
En toen begreep de man het dus. De middenstand had weer eens een leuk feest om zeep geholpen.

6-11-09

150 gr

Het was achterlijk druk, de man zag het meteen bij binnenkomst. De rijen stonden bij iedere kassa tot halverwege de tandpasta, de wasmiddelen en de huishoudelijke artikelen en er stonden bovendien opvallend veel bejaarde echtparen tussen te hannessen met karretjes, mandjes, rolstoelen en elkaar.
Had hij iets gemist? Was het gratis winkelen vanochtend? Was het nú alweer kerstmis? Was het payday voor pensionado’s? Begon hij meteen maar te mopperen, want híer had hij dus helemááááál geen zin in. Zijn eerste aanvechting was ook meteen weer omkeren, nu het nog kon, om later op de dag nog maar eens terug te komen, maar dat kon niet want hij wilde vanochtend een appeltaart bakken, voor het grote verjaardagsfeest morgen, en daar had hij boter voor nodig. Zuchtend en steunend en met een enorme sik stortte hij zich dan dus maar tussen het winkelend gepeupel.
Véél gejaagder dan normaalgesproken laveerde hij zijn karretje geërgerd langs de schappen, tussen de treuzelende meute door. Langs de breeduit besluiteloos voor het koelvak dralende bejaarden, om de middenin het gangpad uitgebreid bijkletsende gepensioneerden heen en met een grote omweg langs de groente voorbij de tergend gezellig met hun peuter vooruit-tuttuttende moeders. Brrr.
Met zijn handvol dagelijkse boodschappen sloot hij aan bij willekeurig één van de zwaarbeladen rijen. Geest op nul, blik op oneindig en vastbesloten niet op de andere rijen te letten omdat die toch altijd sneller gingen. Maar zelfs met zijn blik op oneindig zag hij dat nog wel. Bij de belendende kassa’s was inmiddels waarschijnlijk al voor duizenden euro’s chips en cola en zoete rotzooi afgerekend, maar zíjn cassière was nu al minstens een kwartier bezig een enorme stapel uitgeknipte voordeelbonnetjes bij elkaar op te tellen, voor zich uit te spreiden en te sorteren en weer op een stapeltje te leggen, van de grond op te rapen en van elkaar af te trekken of op echtheid te controleren of joost mag weten wat ze ermee aan het doen was.. de klant waar ze het voor deed trok er in elk geval een onverstoorbaar gezicht bij. Díe vond duidelijk dat het nou maar eens góed moest gebeuren, met die bonnetjes. Ze had ze niet voor niets twintig jaar ijverig uit het sufferdje bij elkaar zitten knippen. Waardoor de man uiteindelijk besloot een rij verder maar weer helemaal opnieuw te beginnen, al kreeg hij zijn geest dan niet goed meer op nul.
Eenmaal weer thuis, lichtjaren later, ontdekte hij bij het uitpakken van zijn tas dat hij van alle boodschappen die hij had willen halen, juist de boter vergeten was.
Shit.
Terug de supermarkthel in was geen optie uiteraard, dus foeterend stampvoette hij dan de iets verderopgelegen peperdure buurtkruidenier maar even in, waar hij natuurlijk weer níet alléén een lullig pakje boter wilde kopen, omdat dat zo.. ja wat eigenlijk was, en waar hij dus ook weer voor vijf euro veel te dure nootjes ging staan kopen, voor in de appeltaart. En een pak melk dat hij helemaal niet nodig had.
Tja.
Nou.
Klein leed was het, zeker. Máár leed.
En thuis lag natuurlijk gewoon óók nog een pakje boter in de koelkast.

3-11-09

Praktisch

Nu hoefde zij natuurlijk eigenlijk praktisch nooit af te wassen, dat deed de man immers altijd voor haar, maar een doodenkele keer kwam het toch zo uit en deed zijn vrouw de vaat, en dan had zij de merkwaardige gewoonte om de vetste pannen en de aangekoektste schalen in de gootsteen, of, als dat allemaal niet paste, ook op het aanrecht te laten staan. Tot de rand toe gevuld met koudgeworden, groezelig water waarin restjes van alles dreven. En dode, gebroken vet-ogen.
De man wist wel zeker dat dat was omdat zijn vrouw geen zín had in de vetste pannen en de aangekoektste schalen, dat wás ook een vervelend karweitje, dat wist hij maar al te goed, maar zelf beweerde ze dat zij ze liet weken.
Zijn vrouw had een heilig geloof in laten weken.
Als je een vette, aangekoekte pan maar lang genoeg liet weken, wist zij, werd hij vanzelf wel schoon.
En uiteindelijk kreeg ze daar nog een soort van gelijk in ook want als de man zich maar lang genoeg geërgerd had aan die ranzige uitstalling in zijn keuken, het stilleven der gemakzucht, dan deed hij het dus liever maar weer even zelf dan haar voor de dérde keer te vragen wanneer ze van plan was haar wetenschappelijk experiment te beëindigen.
Gisteren had zijn vrouw een adv dag gehad, ze werkte in het onderwijs en was net als zijn jongens op de raarste dagen opeens de hele dag thuis, en die had ze besteed aan het bakken van koekjes en keekjes voor de aankomende verjaardag van hun kroost. De man vreesde het ergste voor zijn aanrecht die avond. Maar dat viel mee. Alles was keurig afgewassen en opgeruimd voor hij er goed en wel erg in had.
Tot hij vanochtend onder de douche met zijn slaperig hoofd in een ovenplaat stapte. Die daar op de grond stond te weken. Tot de rand toe gevuld met koudgeworden, groezelig water. Waarin restjes van alles dreven. En dode, gebroken vet-ogen.
De man was blij en gelukkig dat zijn vrouw eigenlijk praktisch nooit afwaste.