Niet dat hij het van binnen al helemaal af had hoor, zijn droomhuis op het platteland, verre van dat zelfs, maar omdat de buitenboel, waar hij in zijn grotestads yuppenappartement van weleer nooit omkijken naar had gehad, nu wel erg zichtbaar om onderhoud begon te vragen, had de man besloten deze zomer de buitenboel dan ook maar aan te gaan pakken. Een man moest doen wat een man moest doen, nu eenmaal.
Het schilderwerk, uiteraard, de kozijnen, de ramen, de dakgoot, het schuurtje. De dakkapel. De voordeur fatsoeneren, het antieke tegelwerk in het portaaltje herstellen, een regenpijp vervangen. Maar ook het één en ander in de tuin.
Een terras namelijk, direct achter het huis.
Waar het nu nog een moeilijk begaanbaar allegaartje van verlopen gazon en betonnen randjes en stoepjes was. Een tijdelijke opslagplaats ook, van van alles en nog wat dat in de rest van de tuin geen plek had gevonden maar hier wel, omdat het hier nog niet echt bij de tuin hoorde, maar ook niet meer bij het huis. Of andersom of zoiets. Een onduidelijk rommeltje.
Straks zou het heerlijke, ruime plek zijn om meteen ’s ochtends vroeg al buiten aan tafel te ontbijten. En daarna de krant te lezen, of een boek, bij de koffie. ’s Avonds buiten in de luwte te eten met een glaasje koele witte wijn.
Het waren waarschijnlijk precies deze vooruitzichten die de man ertoe hadden gebracht juist met die laatste klus te beginnen. Om er verderop in het seizoen zijn murwgeschuurde en moegeschilderde dagen ook met een biertje te kunnen besluiten.
En het eerste dat ervoor moest gebeuren, vond de man, was het bakstenen muurtje, dat in de loop der jaren op alle denkbare plekken door de ene bewoner was opengehakt en later door de volgende bewoner op een andere plek weer zéér provisorisch was dichtgemetseld, voor eens en voor altijd keurig netjes glad afstucen en een vrolijk kleurtje geven. Dat zou een veel fraaier en rustiger beeld geven dan de aftandse, armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurmetselwerk die het nu was.
Welgemoed was de man de afgelopen weken dus met cementstuc, troffel, voorstrijk en plakspaan in de weer geweest.
Maar het was hem niet meegevallen.
Het was hem bepaald niet meegevallen.
Hoe zwierig en behendig hij zijn gereedschap ook op en neer en heen en weer langs de muur liet glijden, hij kreeg het niet zo strak en glad als hij het in zijn hoofd had. Het bleef maar een beetje een armoeiige lappendeken van goedbedoeld amateurstukadoorwerk. Met hobbels en bobbels en randjes. Waar je trouwens, ontdekte de man, als je er maar lang genoeg beteuterd naar bleef kijken, allerlei voorstellingen in kon zien. Van vriendelijk lachende stripfiguurtjes tot keiharde porno. Nee, na inmiddels twéé voltooide pogingen was de man nog helemaal niet tevreden.
Vóórdat hij deze week echter voldoende moed voor een derde poging bij elkaar had geschraapt, kwam zijn buurman de tuin binnenlopen. Zijn buurman die óók een oud huis aan het verbouwen was. En die zijn gestucte muurtje nog niet gezien had. Er voor het eerst zijn blik over liet gaan.
Er in een breed gebaar waarderend zijn hand over streek.
Móói, vond de buurman het muurtje, nog vóór de man zijn gebruikelijke verontschuldigingen naar voren had kunnen brengen van dat het nog niet af was, en helemaal niet goed.
De buurman vond het mooi. Een beetje ruw en nonchalant, niet te nieuw en niet te netjes.. een beetje alternatief, zoals zo’n muurtje hóórde te zijn. Perfect. Zeker als het straks geverfd was.
Ja, dacht de man, ja, zó kon je het natuurlijk óók bekijken. Dat scheelde een hoop werk en gedoe. En even probeerde hij het. Of híj het óók zo kon bekijken.
Maar nee.. Nee.. Dát lukte toch niet.